Onderdeel 6 van 8 van Verkeersborden, Signalen & Richtingen

Verkeerslichten

Verkeerslichten: wat betekent rood, geel en groen, een pijl of knipperend geel? Met lichten voor fiets, bus en tram en wat voorgaat.

Verkeersborden oefenen

Alle CBR-borden · gratis beginnen

Bij rood stop je. Bij geel (oranje) stop je ook, tenzij je het licht al zo dicht bent genaderd dat stoppen redelijkerwijs niet meer kan. Bij groen mag je door als de weg vrij is. Knippert er één geel licht, dan is dat een waarschuwing: rijd voorzichtig en volg de borden en voorrangsregels. Voor jou geldt het licht van jouw rijstrook en richting.

Wat betekenen de kleuren van een verkeerslicht?

Een gewoon verkeerslicht heeft drie kleuren. Op elk kruispunt betekenen ze hetzelfde:

De lesauto nadert een geel (oranje) licht. Stop als dat redelijkerwijs nog kan; je snelheid alleen beslist niet of je door mag.
De lesauto nadert een geel (oranje) licht. Stop als dat redelijkerwijs nog kan; je snelheid alleen beslist niet of je door mag.
  • Rood: stop vóór de stopstreep. Zonder stopstreep stop je vóór het verkeerslicht.
  • Geel (oranje): stop. Alleen als je het licht zo dicht bent genaderd dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is, ga je door. Afstand, snelheid en wegomstandigheden tellen samen mee; 40 km/u is geen automatische reden om door te rijden.
  • Groen: je mag verder in de toegestane richting. Blijf rekening houden met voorrang die bij het afslaan nog geldt en met een kruispunt dat niet vrij is.

Groen is geen opdracht om blind het kruispunt op te rijden. Je mag een kruispunt niet blokkeren. Wacht als de ruimte aan de overkant ontbreekt, en controleer of achterblijvers het kruispunt hebben vrijgemaakt.

Geel (oranje) licht: stoppen, tenzij het niet meer veilig kan

Bij geel licht stop je vóór de streep, tenzij je er al zo dichtbij bent dat veilig stoppen niet meer kan.
Bij geel licht stop je vóór de streep, tenzij je er al zo dichtbij bent dat veilig stoppen niet meer kan.

Geel staat maar kort aan. Wat je doet, hangt af van hoe ver je nog van de stopstreep af bent:

  • Je bent er nog een eind vandaan: rem rustig af en stop vóór de streep. Dat is de gewone situatie.
  • Je bent er al vlakbij als het licht verspringt: kun je niet meer veilig vóór de streep stilstaan, dan rijd je rustig door. Gas bijgeven om het nog te halen hoort daar niet bij.

Er zijn ook lichten met alleen geel en rood, zonder groen. Geel en rood betekenen daar precies hetzelfde als bij een gewoon verkeerslicht.

Verkeerslichten gaan voor borden en voorrangsregels

Werkt het verkeerslicht, dan bepaalt het licht wie mag rijden. Niet de voorrangsborden of haaientanden.
Werkt het verkeerslicht, dan bepaalt het licht wie mag rijden. Niet de voorrangsborden of haaientanden.

Werkt het verkeerslicht, dan bepaalt het licht wie mag rijden. Het gaat dan vóór de voorrangsborden en haaientanden op het kruispunt. Het gaat ook vóór de gewone regels, zoals de regel dat bestuurders van rechts voorgaan.

Borden die iets anders regelen dan voorrang, blijven wel gelden, zoals een inrijverbod of een verplichte rijrichting. De voorrangsborden en haaientanden tellen weer mee zodra het licht uit is of geel knippert. Wat je dan doet, staat hieronder bij de knipperende lichten.

Verkeerslichten met pijl en ronde verkeerslichten

Het verschil zit in de richting waarvoor het licht geldt:

  • Rond verkeerslicht op groen Rond licht: geldt voor elke richting die je vanaf jouw rijstrook mag nemen. Ander verkeer kan tegelijk met jou groen hebben, zoals tegenliggers, en fietsers en voetgangers die rechtdoor gaan.
  • Verkeerslicht met een groene pijl naar rechts Licht met een pijl: geldt alleen voor de richting van de pijl. Brandt er een rode pijl naar links, dan is alleen linksaf dicht. Voor rechtdoor kijk je naar het licht dat daarbij hoort.
Kruispunt met ronde groene lichten. De lesauto wil linksaf; de rode tegenligger heeft ook groen en rijdt rechtdoor.
Rond groen voor jou én voor de tegenligger. De rode auto gaat rechtdoor, dus de lesauto laat hem eerst gaan en slaat daarna linksaf.
Groene pijl: het licht geldt alleen voor de pijlrichting. In deze regeling hebben conflicterende tegenliggers rood.
Groene pijl: het licht geldt alleen voor de pijlrichting. In deze regeling hebben conflicterende tegenliggers rood.

Bij rond groen mag je afslaan als borden en rijstrookpijlen dat toelaten. Laat rechtdoorgaand verkeer op dezelfde weg voorgaan: ook fietsers naast je en voetgangers langs dezelfde weg. Een groene pijl helpt conflicten met tegenliggers voorkomen, maar kijk altijd of je route werkelijk vrij is; een ander kan een fout maken.

Heeft jouw rijstrook een eigen verkeerslicht, dan geldt alleen dat licht voor jou. Het licht van de strook naast je kan op groen staan terwijl het jouwe nog rood is.

Bruglicht

Bij een brug die open kan, staat vaak een bruglicht. Voor het verkeer op de weg heeft dat licht maar één betekenis: een rood licht of een rood knipperlicht betekent stop. Een bruglicht zie je daarom meestal rood of helemaal uit. Wacht bij rood tot het rode licht uit is.

Een open ophaalbrug met twee rode bruglichten; de lesauto staat er met andere auto's voor te wachten.
De brug staat open en de rode bruglichten branden: je stopt en wacht tot het rode licht uit is.

Knipperende waarschuwingslichten en gele pijlen

Eén knipperend geel waarschuwingslicht vraagt extra oplettendheid; het is geen zelfstandig stopgebod.
Eén knipperend geel waarschuwingslicht vraagt extra oplettendheid; het is geen zelfstandig stopgebod.

Volgens de wet betekent een geel knipperlicht: gevaarlijk punt, wees voorzichtig.

Een los knipperend geel licht waarschuwt voor gevaar. Pas je snelheid aan en kijk wat de situatie vraagt. De overige borden, tekens en voorrangsregels blijven gelden.

De extra gele pijl waarschuwt bij het afslaan voor fietsers. Hij maakt je eigen rode licht niet groen.
De extra gele pijl waarschuwt bij het afslaan voor fietsers. Hij maakt je eigen rode licht niet groen.

Een kleine knipperende gele pijl naast het verkeerslicht is een waarschuwing voor de richting waarin je afslaat, bijvoorbeeld voor een kruisend fietspad. Je eigen verkeerslicht blijft bepalen of je mag rijden. Bij groen controleer je alsnog de fietsers en voetgangers die je voor moet laten gaan.

Verkeerslicht uit of knipperend geel

Het verkeerslicht regelt de voorrang nu niet. De haaientanden blijven gelden: de lesauto laat de rode auto voorgaan.
Het verkeerslicht regelt de voorrang nu niet. De haaientanden blijven gelden: de lesauto laat de rode auto voorgaan.

Bij uitgeschakelde lichten of geel knipperen val je terug op voorrangsborden en haaientanden: dan is het een voorrangskruispunt. Ontbreken die, controleer dan of het een gelijkwaardig kruispunt is: bestuurders van rechts gaan voor, met de gewone uitzonderingen voor bijvoorbeeld trams en onverharde wegen. Kijk bij een storing extra voorzichtig; andere weggebruikers kunnen de situatie anders inschatten.

Een verkeerslicht dat uit staat, is dus geen groen licht. Het geeft je geen voorrang en ook geen stopteken.

Lichten voor fietsers, voetgangers, bus en tram

Op een kruispunt hangen vaak ook lichten die niet voor jou als automobilist bedoeld zijn. Je herkent ze aan de vorm in het licht:

  • Fietslicht (een fiets in het licht): voor fietsers, bromfietsers op een fiets/bromfietspad en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig. Hangt er een bord "Rechtsaf voor fietsers vrij" bij, dan mogen fietsers bij geel en rood rechtsaf, als ze het andere verkeer voor laten gaan.
  • Voetgangerslicht (een poppetje): bij groen mogen voetgangers oversteken. Knippert groen, dan komt rood er bijna aan. Bij rood mogen ze niet meer beginnen, maar wie al op de oversteek loopt, loopt zo snel mogelijk door. Houd daar rekening mee als jij groen krijgt.
  • Tram/buslicht (witte strepen of punten): voor de tram en de lijnbus. Het geldt ook voor ander verkeer op de busbaan of busstrook waar het licht bij hoort.
  • Rijstrooklichten boven de snelweg (groene pijl, rood kruis): die zeggen of je een rijstrook mag gebruiken. Lees meer bij matrixborden.
Links een rond zwart licht met witte punten (A), rechts een gewoon verkeerslicht op groen (B).
A is het licht voor tram en bus, B is het verkeerslicht voor jou. Alleen B geldt voor jou.
Twee paar rode knipperlichten bij een overweg branden fel; de lesauto stopt.
Rode knipperlichten bij een tram- of spoorwegovergang gelden wél voor jou: stop tot ze uit zijn.

Twee knipperende rode lichten bij een tram- of spoorwegovergang zijn wél voor jou bedoeld: die betekenen stoppen. Lees meer bij spoorwegovergangen.

Voorsorteren bij kruispunten met verkeerslichten

Bij een groot kruispunt met verkeerslichten heeft elke richting vaak een eigen rijstrook, met pijlen op het wegdek en soms een eigen licht. Kies op tijd de goede strook:

  • Gaan er twee of meer stroken jouw kant op, neem dan de meest rechtse daarvan.
  • Een strook met twee pijlen, bijvoorbeeld linksaf en rechtdoor, telt mee voor allebei die richtingen.
  • Sta je eenmaal in een voorsorteerstrook, dan volg je de richting van die strook. Ook als je eigenlijk een andere kant op wilde: rijd door en zoek verderop een nieuwe route.
  • Kijk daarna alleen naar het verkeerslicht van jouw strook.
Twee rijstroken gaan naar links en de lesauto staat in de linker van de twee.
Fout voorgesorteerd: van de twee stroken naar links hoort de lesauto in de rechter.

Hoe je bij gewone kruispunten en fietsstroken voorsorteert, lees je bij voorsorteren.

Busstrook voor een kruising met verkeerslichten

Bord F13: rijbaan of strook alleen voor lijnbussen Vaak loopt er rechts een busstrook naar het kruispunt, met BUS of LIJNBUS op het wegdek. Daar rijd je niet op: die strook is voor bussen en trams. Het witte tram/buslicht boven die strook is dus ook niet jouw licht. Jij volgt het gewone verkeerslicht van je eigen rijstrook.

De lesauto wacht voor rood op de gewone rijstrook. Rechts ligt een busstrook met BUS op het wegdek en een eigen wit buslicht.
De lesauto kijkt naar het gewone verkeerslicht van zijn eigen strook (rood). Het witte licht boven de busstrook is voor de bus.

Wil je rechtsaf en ligt de busstrook tussen jou en je afslag? Kruis hem dan alleen waar de streep naar de busstrook onderbroken is. Je wisselt dan van rijstrook, dus een bus die eraan komt gaat voor. Meer over strepen en busstroken bij een kruispunt lees je bij rotondes en rijstroken.

Wat gaat voor: verkeersregelaar, verkeerslicht, bord, of algemene verkeersregels?

Zie je meerdere aanwijzingen tegelijk, dan geldt deze volgorde. Wat hoger staat, wint:

  1. Verkeersregelaar of politie. Hun aanwijzingen gaan voor alles. Zie verkeersregelaar: tekens en gebaren.
  2. Verkeerslicht. Zie de kop hierboven.
  3. Verkeersbord of haaientanden. Zie voorrangskruispunt.
  4. Algemene verkeersregels. Zie voorrangsregels.
De regelaar geeft de lesauto een stopteken. Dat volg je ook al brandt het verkeerslicht groen.
De regelaar geeft de lesauto een stopteken. Dat volg je ook al brandt het verkeerslicht groen.

CBR-valkuilen bij verkeerslichten

De lesauto wil linksaf; de tegenligger heeft ook rond groen en gaat rechtdoor.

❌ Fout: bij rond groen linksaf slaan alsof je vrij baan hebt. ✅ Goed: een tegenligger die rechtdoor gaat, kan ook groen hebben en gaat eerst.

De lesauto nadert een geel (oranje) licht en remt af.

❌ Fout: gas geven bij geel om het nog te halen. ✅ Goed: geel is stoppen. Alleen als dat niet meer veilig kan, rijd je door.

Een ambulance achter de lesauto bij rood licht: de lesauto blijft staan.

❌ Fout: door rood rijden voor een ambulance achter je. ✅ Goed: bij rood blijf je staan.

De lesauto volgt het rode licht van zijn eigen strook, niet het witte buslicht.

❌ Fout: wegrijden omdat het tram- of buslicht verandert. ✅ Goed: jij volgt alleen het licht van je eigen rijstrook.

Oefenen zoals op het examen

Voorbeeldvragen zoals op het CBR-examen

Echte vragen uit de Theorio-app. Soortgelijke vragen kun je verwachten op je CBR-examen.

Vraag 1 van 5

Mag je doorrijden bij oranje licht?

Klik op het antwoord dat jij goed vindt.

Antwoordopties

Antwoorden en uitleg bij de voorbeeldvragen

  1. Vraag 1: Mag je doorrijden bij oranje licht?

    Juiste antwoord: Nee

    Nee, bij oranje licht moet je stoppen als dat veilig kan 🟠. Alleen als je zo dicht bij het verkeerslicht bent dat stoppen onmogelijk is, mag je nog doorrijden. Stoppen is de norm bij oranje✋.

  2. Vraag 2: Bij welk verkeerslicht moet je rekening houden met kruisende bestuurders?

    Juiste antwoord: Verkeerlicht A

    Bij een rond groen licht (verkeerslicht A) moet je bij het afslaan voorrang geven aan tegenliggers, omdat zij ook groen licht kunnen hebben. Bij een groen licht met een pijl (verkeerslicht B) hoef je geen rekening te houden met tegenliggers, omdat er geen tegenliggend verkeer is toegestaan in die situatie.

  3. Vraag 3: Het verkeerslicht is groen, mag je doorrijden?

    Juiste antwoord: Ja

    Ja, bij groen licht mag je doorrijden 🟢, ook als er haaientanden of een stopbord staan. Deze gelden alleen als het verkeerslicht niet werkt. Verkeerslichten zijn leidend voor borden en markeringen 🚦.

  4. Vraag 4: Welke lichten gelden voor jou?

    Juiste antwoord: B

    Licht A geldt voor trams, bord B geldt voor bestuurders.

  5. Vraag 5: Het is druk op het kruispunt, mag je doorrijden?

    Juiste antwoord: Nee

    Nee, ook bij groen licht mag je niet het kruispunt oprijden als je daar stil zou komen te staan 🛑. De doorstroming van het verkeer moet worden behouden. Blokkeer het kruispunt niet❗.

FAQ

Veelgestelde vragen

Korte antwoorden op vragen die vaak terugkomen bij dit onderwerp.

Moet je bij groen licht stoppen voor haaientanden?

Niet alleen vanwege de haaientanden die bij die verkeersregeling horen: het toepasselijke werkende verkeerslicht gaat vóór die voorrangstekens. Groen betekent wel dat je alleen verdergaat als dat veilig kan. Blokkeer de kruising niet, volg een stopteken van een bevoegde regelaar en laat verkeer voorgaan waarvoor een andere geldende regel dat vraagt, bijvoorbeeld bij afslaan.

Geldt een verkeerslicht met witte stippen voor jou?

Als gewone automobilist op een gewone rijstrook volg je de voor jou bestemde autolichten. Witte stippen of strepen horen bij tram/buslichten. Die gelden niet alleen voor trams, maar ook voor lijnbussen en in bepaalde gevallen voor andere voertuigen die de betreffende busbaan of busstrook gebruiken. Kijk dus voor welke baan en richting het licht geldt.

Gaat een verkeerslicht voor een stopbord?

Ja, zolang het verkeerslicht werkt. Een stopbord (B7) regelt de voorrang, en een werkend licht gaat voor elk bord en elke haaientand die de voorrang regelt. Heb je groen, dan hoef je niet eerst bij de stopstreep stil te staan.

Staat het licht uit of knippert het geel, dan telt het stopbord weer. Dan stop je altijd helemaal en laat je het verkeer op de kruisende weg voorgaan.

Klaar om te oefenen?

Test je kennis van Verkeersborden, Signalen & Richtingen met 90 oefenvragen in de app.

Verkeersborden oefenen

Alle CBR-borden · gratis beginnen

Je eerste quiz is gratis en zonder account. Daarna vanaf €34,99 voor 90 dagen toegang.