Wegmarkeringen en kruispunten bepalen de plaats op de weg en de voorrangsregels in het verkeer.
Verkeerstekens op het wegdek en aanwijzingen van verkeersregelaars overheersen algemene verkeersregels.
Wegmarkeringen & Kruispunten in het kort
Overzicht Wegmarkeringen & Kruispunten
De belangrijkste CBR regels voor wegmarkeringen en kruispunten zijn ingedeeld in 5 categorieën.
Onderwerp
Belangrijkste CBR Regel
Doorgetrokken streep
Nooit overschrijden of inhalen over de streep.
Voorsorteren
Tijdig plaatsnemen op de meest rechterrijstrook voor jouw richting.
Gelijkwaardig kruispunt
Bestuurders van rechts hebben voorrang. Trams hebben altijd voorrang.
Uitritconstructie
Verkeer uit een uitrit verleent voorrang aan alle verkeer.
Verkeersregelaar
Aanwijzingen gaan boven alle lichten, borden en regels.
CBR Rangorde in het verkeer
1. Aanwijzingen van bevoegde personen: Verkeersregelaars en politie gaan boven alles.
2. Verkeerslichten: Lichtsignalen gaan boven verkeersborden en wegmarkeringen.
3. Verkeersborden en tekens: Bord en streep gaan boven algemene regels.
4. Algemene verkeersregels: Rechts heeft voorrang op een gelijkwaardig kruispunt.
Wat is een doorgetrokken streep?
Een doorgetrokken streep scheidt rijstroken of rijbanen en mag niet overschreden worden.
Je mag er niet over heen rijden en niet inhalen als je de streep moet overschrijden.
Wat is een onderbroken streep?
Een onderbroken streep bestaat uit korte witte strepen met grote tussenruimtes.
Je mag deze streep overschrijden om in te halen of van rijstrook te wisselen.
Waarschuwingsstreep op het wegdek
Een waarschuwingsstreep heeft hele korte tussenruimtes tussen de witte strepen en is vaak langer dan de standaard witte streep. Dit waarschuwt voor een naderende gevaarlijke situatie, een veranderende weg situatie of doorgetrokken streep. In dit plaatje is in A de normale onderbroken streep te zien en in B de waarschuwingsstreep.
Bij een waarschuwingsstreep is inhalen niet verboden — het is en blijft een onderbroken streep. Toch is het verstandig om te wachten tot je voorbij de verandering op de weg bent. De streep staat er niet voor niets: verderop verandert er iets.
Het verschil tussen witte en gele strepen
Gele strepen en gele wegmarkeringen worden gebruikt bij tijdelijke werkzaamheden.
Tijdelijke gele strepen hebben altijd voorrang boven de normale witte strepen.
De witte strepen worden bij werkzaamheden meestal niet weggehaald: ze blijven gewoon zichtbaar onder of naast de gele. Je bent dan verplicht de gele te volgen. Dat werkt ook de andere kant op: staat er een witte doorgetrokken streep, maar geeft de gele markering aan dat je van rijstrook mag wisselen, dan mag dat.
Type Streep
Regel overschrijden
Inhalen toegestaan?
Doorgetrokken streep
Streng verboden
Nee, nooit over de streep
Onderbroken streep
Toegestaan mits veilig
Ja, indien vrij
Gecombineerde streep
Volg de streep aan jouw kant
Alleen vanaf de onderbroken zijde
Gele tijdelijke streep
Volg altijd geel boven wit
Afhankelijk van geel type
Waarschuwingsstreep
Toegestaan, het blijft een onderbroken streep
Mag, maar wacht liever tot na de verandering
Gecombineerde doorgetrokken en onderbroken streep
Bij een dubbele streep geldt de regel van de streep aan jouw kant van de weg.
Ligt de onderbroken streep aan jouw kant, dan mag je van rijstrook wisselen.
Ligt de doorgetrokken streep aan jouw kant, dan mag je er niet overheen rijden.
Let op dat dit twee kanten op werkt: rijd jij langs de doorgetrokken kant, dan mag jij er niet overheen, maar het verkeer aan de andere kant mag wél naar jouw rijstrook komen. Verwacht dus verkeer dat naast je invoegt, ook al mag jij zelf niets.
Verdrijvingsvlakken en zigzagstrepen
Een verdrijvingsvlak bestaat uit schuine witte strepen op de weg en is verboden terrein.
Een uitzondering geldt wanneer een spitsstrook over het verdrijvingsvlak open is gesteld.
De naam zegt precies wat het vlak doet: je wordt er als het ware van de weg verdreven. Praktisch betekent dat: je kunt op zo'n plek niet op het laatste moment nog even van rijstrook wisselen. Voor een verdrijvingsvlak geldt hetzelfde als voor een doorgetrokken streep — er overheen rijden mag niet.
Een zigzagstreep waarschuwt voor een gevaarlijk kruispunt of een naderend obstakel.
Vaak gaat het om een druk kruispunt met een fietspad ervoor. De zigzagstreep verbiedt niets, maar zegt: verminder je snelheid en let extra goed op.
Wat de strepen zeggen over wie je kunt verwachten
Strepen vertellen niet alleen of je mag inhalen of van rijstrook wisselen. Ze verraden ook wat voor weg je op rijdt, en dus welke weggebruikers je er kunt tegenkomen. Op veel wegen staat dat namelijk nergens met een bord aangegeven.
Alleen strepen aan de zijkant
Zie je alleen (onderbroken) strepen aan de zijkanten van de weg en is het midden leeg, dan is dit een gewone weg waar iedereen mag komen: auto's, maar ook fietsers, ruiters en voetgangers. Dit zie je vaak op het platteland en in natuurgebieden. Ruiters en voetgangers mogen in de berm lopen, maar zijn dat niet verplicht — ze mogen ook gewoon op de weg.
Alleen kantstrepen, geen middenstreep: hier kun je alle soorten weggebruikers verwachten.
Een dubbele streep in het midden
Ligt er een dubbele streep in het midden van de weg, dan mogen daar alleen motorvoertuigen rijden. Fietsers zijn geen motorvoertuig en horen daar dus niet. Of die dubbele streep nu doorgetrokken of onderbroken is, maakt voor deze vraag niet uit: dubbel is dubbel.
Dubbele middenstreep: alleen motorvoertuigen. Een snelheidsbord van 70 km/u of hoger hoort hier vaak bij.
Een groene strook tussen de strepen
Zit er tussen de twee strepen een groene strook, dan rijd je op een autoweg. Een autoweg heeft een minimumsnelheid van 50 km/u, waardoor bijvoorbeeld landbouwvoertuigen en brommobielen er niet mogen komen.
Ezelsbruggetje: het briefje van honderd euro is ook groen — groen = 100 km/u. 💶
Bord G3 (Autoweg): dezelfde weg, maar dan met een bord in plaats van met een streep.
CBR-valkuil
❌ Fout: een waarschuwingsstreep lezen als een doorgetrokken streep en denken dat inhalen verboden is.
✅ Goed: het is een onderbroken streep, dus inhalen mág. Het is alleen onverstandig, omdat er verderop iets verandert.
❌ Fout: bij werkzaamheden de witte strepen volgen omdat die er nog liggen.
✅ Goed: geel gaat altijd boven wit, ook als geel méér toestaat dan wit.
❌ Fout: over een verdrijvingsvlak rijden om nog snel van rijstrook te wisselen.
✅ Goed: een verdrijvingsvlak is net zo verboden als een doorgetrokken streep. Alleen een geopende spitsstrook is een uitzondering.
❌ Fout: denken dat je op een weg met een dubbele middenstreep ook fietsers kunt tegenkomen.
✅ Goed: een dubbele middenstreep betekent: alleen motorvoertuigen. Zonder middenstreep, met alleen kantstrepen, kun je juist iedereen verwachten.
Je hebt Lijnen & Wegmarkeringen (Doorgetrokken, Onderbroken & Geel) gehad. Blijft het hangen?
Rijstrook, rijbaan, weg en vluchtstrook
Voorsorteren gaat over de vraag wáár je gaat rijden. Daarvoor moet je eerst weten hoe de weg heet waar je op rijdt. Over alle drie kun je rijden, maar ze betekenen niet hetzelfde.
Rijstrook: één strook waarop één rij voertuigen past.
Rijbaan: alle rijstroken voor jouw richting samen.
Weg: de rijbaan plus de vluchtstrook.
Vluchtstrook: de strook rechts naast de doorgetrokken streep. Hier mag je niet rijden; stoppen mag alleen bij autopech of een noodsituatie.
A = de losse rijstroken, B = de rijbaan, C = de weg. De strook rechts van de doorgetrokken streep is de vluchtstrook.
Zoveel mogelijk rechts houden
Op alle wegen geldt: houd zoveel mogelijk rechts. Of je nu op de snelweg rijdt, op een woonerf of op een weg van 50 tot 80 km/u.
Op de snelweg betekent dat: blijf op de rechterrijstrook. Inhalen doe je links, en daarna ga je zo snel mogelijk weer terug naar rechts. Onnodig op de linkerrijstrook blijven rijden is verboden en kan een flinke boete opleveren.
Eén belangrijke uitzondering: liggen er doorgetrokken strepen tussen de rijstroken, dan mag je er niet overheen en blijf je op je eigen rijstrook tot de streep weer onderbroken is.
Hoe sorteer je goed voor naar links?
Als je linksaf wilt slaan, sorteer je zo dicht mogelijk tegen de as van de weg voor.
Op een eenrichtingsweg sorteer je juist helemaal aan de linkerkant van de weg voor.
Hoe sorteer je goed voor naar rechts?
Als je rechtsaf wilt slaan, sorteer je zoveel mogelijk aan de rechterzijde van de rijstrook voor.
Voorsorteren bij fietsstroken
Bij een fietsstrook met een doorgetrokken streep mag je nooit over de streep rijden.
Bij een fietsstrook met een onderbroken streep mag je de strook gebruiken om voor te sorteren.
Let altijd goed op achteropkomende fietsers en snorfietsers voordat je instuurt.
Voorsorteren bij grote voertuigen
Vrachtwagens en bussen hebben een grote draaicirkel en extra ruimte nodig in de bocht.
Blijf bij het voorsorteren iets verder achter de as om grote tegenliggers ruimte te bieden. In dit geval is B dus juist omdat je meer ruimte geeft voor de bus om te passeren en de bocht te maken.
Situatie
Juiste positie voor voorsorteren
Linksaf (twee richtingen)
Tegen de as (het midden) van de weg
Linksaf (eenrichtingsweg)
Helemaal aan de linkerzijde van de weg
Rechtsaf (normaal)
Zo veel mogelijk aan de rechterzijde van de rijstrook
Fietsstrook doorgetrokken
Naast de streep blijven, er niet overheen rijden
Fietsstrook onderbroken
Op de fietsstrook voorsorteren mits vrij van fietsers
Rotonde met pijlen op het wegdek
Volg de pijlen, niet de regel "zoveel mogelijk rechts"
Meervoudige voorsorteerstroken
Zijn er meerdere rijstroken voor jouw richting, kies dan altijd de meest rechterrijstrook.
Zo houd je de linkerrijstroken vrij voor overig verkeer dat wil inhalen of afslaan.
Het is streng verboden om op een zebrapad of vlak voor een kruispunt stil te staan.
Dit geldt ook als er twee of meer rijstroken jouw kant op gaan: je kiest de meest rechter daarvan. Sta je in zo'n geval helemaal links terwijl de middelste strook ook jouw richting op gaat, dan sorteer je fout voor.
Zo moet het niet: de middelste strook gaat ook deze kant op en is dus de meest rechterrijstrook voor deze richting.
Laat je niet in de war brengen door een rijstrook waarop meerdere richtingen zijn toegestaan — bijvoorbeeld een strook waarop je zowel linksaf als rechtdoor mag. Ook dan kies je gewoon de meest rechterrijstrook die jouw richting op gaat.
Een strook met twee pijlen telt gewoon mee als rijstrook voor jouw richting.
De juiste rijstrook op de snelweg
Voorsorteren doe je niet alleen bij verkeerslichten, kruispunten en rotondes. Ook op de snelweg kies je bewust een rijstrook. De regel is dezelfde: zo ver mogelijk rechts van de stroken die jouw kant op gaan. Welke stroken dat zijn, lees je af van de blauwe borden boven en langs de weg.
Rijstrook A is er alleen om in te halen, B en C gaan verschillende kanten op.
Wil je naar Nijmegen en gaan de twee linkerrijstroken allebei naar Nijmegen en Utrecht? Dan kies je rijstrook B: dat is de meest rechterrijstrook in jouw richting. Rijstrook C leidt niet naar jouw bestemming en rijstrook A is alleen bedoeld om in te halen.
Rijstrook gesloten of een extra rijstrook
Welke rijstrook je moet hebben, lees je normaal van de blauwe borden af. Maar boven de weg kunnen ook matrixborden (elektronische signaleringsborden) branden. Die gaan vóór alles wat de blauwe borden zeggen.
Een matrixbord kan een nieuwe maximumsnelheid geven, maar ook aangeven of een rijstrook open of gesloten is. Zie je een rood kruis, dan is die rijstrook gesloten en mag je er niet op rijden.
De spitsstrook
Een matrixbord kan ook een extra rijstrook openen. Op sommige wegen verandert de vluchtstrook tijdens de spits dan in een spitsstrook. Op het matrixbord staat een groene pijl naar beneden ↓. Dat betekent dat je over de witte doorgetrokken streep mag rijden en de spitsstrook mag gebruiken.
De spitsstrook wordt op dat moment de meest rechterrijstrook. En omdat je altijd zoveel mogelijk rechts moet houden, ben je dan zelfs verplicht om hem te gebruiken.
Dat een spitsstrook open is, zie je op drie manieren: de groene pijl op het matrixbord, een bord langs de weg met de tekst "spitsstrook open", en een bord met het aantal rijstroken van de normale rijbaan gevolgd door een doorgetrokken streep met de spitsstrook ernaast.
Deze drie borden lijken op elkaar: A = van de spitsstrook af, B = spitsstrook open, C = spitsstrook gesloten.
Borden die iets over rijstroken zeggen
Boven en langs de weg staan borden die met pijlen laten zien wat er met de rijstroken gebeurt. De richting van de pijlen bepaalt de betekenis.
Samenvoeging: een pijl wijst naar de andere pijlen toe. Een rijstrook eindigt en voegt samen.
Splitsing: een pijl wijst van de andere pijlen af. De rijstroken gaan uit elkaar.
Taps toelopende aansluiting: alle pijlen wijzen dezelfde kant op en de middelste lijkt op een schuine T. De invoegstrook gaat vanzelf over in de hoofdrijbaan — je hoeft niet van rijstrook te wisselen. Het aantal pijlen zegt hoeveel rijstroken er samenkomen.
Wijst de pijl naar de andere toe, dan is het een samenvoeging. Wijst hij ervan af, dan is het een splitsing.De schuine T in het midden: een taps toelopende aansluiting van drie rijstroken.
Het witte onderbord eronder
Onder zo'n bord hangt vaak een wit onderbord. Daarvoor geldt een vaste regel:
Staan er twee pijlen op, dan geldt het bord direct.
Staat er alleen een afstand op, dan geldt het bord pas na die afstand.
Een bord met "1,3 km" en twee pijlen betekent dus: de komende 1,3 kilometer zijn er twee rijstroken. Daarna verandert er waarschijnlijk weer iets — meestal één rijstrook minder. Een bord met "1,5 km" onder een snelheidsbord van 90 betekent: de komende 1,5 kilometer geldt 90 km/u.
Twee pijlen = het geldt nu. Alleen een afstand = het geldt pas verderop.
Van rijstrook wisselen
Van rijstrook wisselen doe je niet zomaar. Of je nu invoegt, inhaalt of gewoon een strook opschuift: kijk eerst goed wie er om je heen rijdt, en let daarna op de borden en de markering op de weg.
Staat er bijvoorbeeld een geel bord dat aangeeft dat de linkerrijstrook ophoudt, dan weet je dat het verkeer op die strook naar rechts moet. Pas dan je snelheid aan en geef die bestuurder ruimte, zodat hij jou niet hoeft af te snijden.
De linkerrijstrook houdt op: geef de blauwe auto ruimte in plaats van hem klem te rijden.
Voorbeeldsituaties
Situatie 1 — drie rijstroken naar Utrecht
Je moet naar Utrecht. Op het bord boven de weg zie je twee pijlen die recht vooruit wijzen naar Utrecht, en één pijl die recht vooruit én naar rechts wijst.
Juiste keuze: opschuiven naar de meest rechter van die drie stroken.
Waarom: alle drie de rijstroken gaan naar Utrecht, dus je bent verplicht de meest rechterrijstrook van jouw richting te nemen.
Situatie 2 — één rijstrook naar Breda
Je bestemming is Breda en je rijdt met een aanhanger. Op het bord zie je dat er maar één rijstrook naar Breda leidt; verderop laat de blokmarkering zien dat dat de meest linkerrijstrook is.
Juiste keuze: tijdig naar de linkerrijstrook.
Waarom: die strook is de enige die jouw kant op gaat, en dan is hij ook meteen de meest rechterrijstrook van jouw richting. Dat je een aanhanger hebt, maakt hier niets uit.
Situatie 3 — een splitsing met blokmarkering naar Rotterdam
Op weg naar Rotterdam kom je een splitsing tegen: een blokmarkering verdeelt de snelweg in twee delen. Beide routes leiden naar Rotterdam. Op het linker bord staat dat de linkerroute verboden is voor vrachtwagens.
Juiste keuze: met een personenauto mag je beide routes nemen, en op de route die je kiest houd je rechts aan.
Waarom: als beide routes naar jouw bestemming gaan, mag je kiezen. Vrachtwagens moeten hier wél verplicht rechts.
Je hebt Voorsorteren & Rijstrookgebruik gehad. Blijft het hangen?
Drie soorten kruispunten
Een kruispunt is een plek waar meerdere wegen samenkomen en elkaar kruisen. Dat kan een overzichtelijk kruispunt in een rustige woonwijk zijn, of een complex kruispunt midden in een grote stad. Voor het examen is vooral belangrijk hoe de voorrang er geregeld is, en dat kan op drie manieren.
Met verkeerslichten. Groen mag rijden, rood moet stoppen, oranje/geel moet stoppen als dat nog kan. Zo is voor iedereen duidelijk wie er wanneer door mag.
Met borden en tekens op de weg. Dit noemen we een voorrangskruispunt. Je volgt de borden en de haaientanden.
Met niets. Staan er geen lichten, geen borden en geen tekens? Dan is het een gelijkwaardig kruispunt en gelden de standaard voorrangsregels.
Wat is een gelijkwaardig kruispunt?
Een gelijkwaardig kruispunt heeft geen voorrangsborden, haaientanden of werkende verkeerslichten.
Op dit type kruispunt geldt voor alle wegen en weggebruikers dezelfde basisregel.
De rechtsregel op het gelijkwaardige kruispunt
Verleen voorrang aan alle bestuurders die van rechts komen.
Dit geldt voor auto's, motoren, fietsers, bromfietsers en ruiters van rechts.
Voetgangers zijn geen bestuurders en hebben op een gelijkwaardig kruispunt geen voorrang.
Bord J8 (Gevaarlijk kruispunt): Waarschuwt voor een naderend gelijkwaardig kruispunt waar rechts voorrang heeft.
Er zijn drie regels, niet één
"Rechts gaat voor" is de bekendste regel, maar op een gelijkwaardig kruispunt gelden er drie. Je loopt ze in deze volgorde af.
Verleen voorrang aan bestuurders van rechts.
Rechtdoorgaand verkeer op dezelfde weg gaat voor afslaand verkeer vanuit dezelfde weg. Kom je van dezelfde weg af en wil jij afslaan terwijl de ander rechtdoor gaat, dan gaat de ander voor.
De korte bocht gaat voor de lange bocht. Slaan twee tegenliggers allebei af, dan gaat degene met de korte bocht (rechtsaf) voor degene met de lange bocht (linksaf).
Regel 3 in beeld: wie de korte bocht maakt, gaat voor wie de lange bocht maakt.
Uitzondering voor trams
Een tram heeft op een gelijkwaardig kruispunt altijd voorrang.
De tram gaat voor, ongeacht of deze van links of van rechts komt.
Het verschil tussen een uitrit en een gelijkwaardig kruispunt
Een uitrit herken je aan een verlaagde trottoirband of een doorlopende bestrating.
Wanneer je een uitrit verlaat, voer je een bijzondere manoeuvre uit.
Je moet dan al het verkeer voor laten gaan, inclusief voetgangers op de stoep.
Kenmerk
Gelijkwaardig Kruispunt
Uitritconstructie
Bestrating
Wegdek loopt door zonder onderbreking
Doorlopende stoep of verlaagde trottoirband
Voorrang rechts
Ja, bestuurders van rechts gaan voor
Nee, de rechtsregel geldt hier niet
Voetgangers
Geen voorrang van rechts
Hebben altijd voorrang uit de uitrit
Trams
Hebben altijd voorrang
Hebben altijd voorrang
Je hebt Gelijkwaardige Kruispunten & Uitritconstructies gehad. Blijft het hangen?
Verkeersborden op voorrangskruispunten
Bord B1 geeft aan dat je op een voorrangsweg rijdt en voorrang hebt op zijstraten.
Haaientanden op het wegdek hebben dezelfde juridische betekenis als bord B6.
Bij haaientanden verleen je voorrang aan bestuurders op de kruisende weg.
Verplicht stoppen bij bord B7 en stopstreep
Bord B7 verplicht je om altijd fysiek te stoppen bij de witte stopstreep.
Je moet ook verplicht stoppen als er op dat moment geen ander verkeer nadert.
Afbuigende voorrangsweg
Een afbuigende voorrangsweg wordt aangegeven met een dikke gebogen lijn op een onderbord.
Blijf je op de voorrangsweg, dan behoud je voorrang op het overige verkeer.
Verlaat je de voorrangsweg, dan moet je rechtdoorgaand verkeer op de voorrangsweg voor laten gaan.
Voorrangsregels op rotondes
Staan er bord D1 en haaientanden bij de toerit van een rotonde?
Dan heeft het verkeer op de rotonde voorrang op het toelopende verkeer.
Bord D1 (Rotonde): Verplichte rijrichting op rotonde.
Staan er geen borden of haaientanden bij een rotonde?
Dan is het een gelijkwaardige rotonde waar verkeer van rechts (de toerit) voorrang heeft.
Rotonde Type
Borden / Tekens
Wie heeft voorrang?
Voorrangsrotonde
Bord D1 + Haaientanden bij toerit
Verkeer op de rotonde gaat voor
Gelijkwaardige rotonde
Geen borden of tekens aanwezig
Verkeer van rechts (toerit) gaat voor
Rotonde verlaten
Rechts richting aangeven
Rechtdoorgaande fietsers/voetgangers gaan voor
Voorsorteren op een rotonde met meerdere rijstroken
Een rotonde is een uitzondering op de regel dat je altijd zoveel mogelijk rechts voorsorteert. Heeft de rotonde meerdere rijstroken, dan staat er meestal met pijlen op het wegdek aangegeven welke strook naar welke afslag leidt. Volg die pijlen.
Wil je de laatste afslag nemen, dan heeft het geen zin om op de meest rechterrijstrook te gaan staan — daar kun je alleen rechtdoor of rechtsaf. Leiden er twee rijstroken naar jouw afslag, dan mag je ze allebei gebruiken.
De pijlen op het wegdek bepalen hier waar je voorsorteert, niet de regel "zoveel mogelijk rechts".
Zie je op het wegdek al vóór de rotonde een teken van een rotonde met meerdere pijlen, dan kun je erop rekenen dat de rotonde meerdere rijstroken heeft. Sorteer dan op tijd voor, zodat je er op het juiste moment weer af kunt.
Meerdere pijlen in het rotondeteken op het wegdek: verwacht meerdere rijstroken.
Op tijd op de goede rijstrook
Sta je op een rijstrook die alleen naar links gaat, maar wil je toch rechtdoor? Dan mag je niet zomaar opschuiven. Ligt er tussen de rijstroken een doorgetrokken streep, dan zit je vast: je had eerder moeten wisselen, toen de streep nog onderbroken was.
Rijd je nog naast een onderbroken streep, dan mag je wél wisselen. Let dus goed op waar de streep overgaat van onderbroken naar doorgetrokken.
Te laat: over de doorgetrokken streep mag je niet meer terug naar de rechtdoorstrook.
Busstroken bij een kruispunt
Een busstrook wordt vaak van de rest van de weg gescheiden door een doorgetrokken streep. Bij een kruispunt of verkeerslicht gaat die streep meestal over in een onderbroken streep, zodat ander verkeer daar wél de busstrook op mag om rechtsaf te slaan.
Waar de streep onderbroken wordt, mag je de busstrook op om rechtsaf te slaan.
Een doorgetrokken streep op de rotonde zelf
Ook op een rotonde geldt de gewone streepregel. Ligt er rechts van jou een doorgetrokken streep, dan mag je daar niet afslaan om de rotonde te verlaten. Je rijdt dan een rondje verder tot de streep onderbroken is.
Een doorgetrokken streep rechts van je: hier kun je de rotonde niet verlaten.
Anticiperen bij kruispunten en afslagen
Andere bestuurders gedragen zich niet altijd voorspelbaar, maar soms kun je hun gedrag wél zien aankomen. Zie je verderop een file staan en zit er een afslag vlak daarvoor? Dan is de kans groot dat er auto's die afslag nemen om de file te ontwijken.
De meeste bestuurders wisselen op tijd van rijstrook. Maar iemand die afgeleid is, doet het op het laatste moment. Houd daar rekening mee, juist vlak voor een kruispunt of een afrit.
Je hebt Voorrangskruispunten & Rotondes gehad. Blijft het hangen?
Meer dan alleen borden
Naast de borden langs de weg zijn er nog andere dingen die je vertellen wat je moet doen: de lampen, de kleine paaltjes langs de weg en de lijnen en tekens op het wegdek. Ze laten je weten waar je mag rijden, wanneer je door mag rijden, of je van rijbaan mag veranderen en of er gevaar is.
Let dus niet alleen op de borden. Alles wat je in het verkeer iets vertelt, staat er om jou en anderen veilig te houden.
Verkeerslichten met pijl en ronde verkeerslichten
Een groen verkeerslicht met een pijl betekent dat jouw rijrichting vrij is van tegenliggers.
Een rond groen verkeerslicht betekent dat je mag rijden, maar tegenliggers kunnen ook groen hebben.
Bij een rond licht moet je tegemoetkomend verkeer en kruisende voetgangers voor laten gaan.
Bij een geel licht moet je stoppen als dat nog veilig kan.
Ezelsbruggetje voor het ronde licht: het ronde lampje lijkt op de letter "O" — Overal kan verkeer vandaan komen. Bij een pijl mag je alleen de kant op waar de pijl heen wijst, maar je weet dan wél zeker dat er geen tegenliggers zijn. Bij een rond licht moet je altijd zelf blijven kijken.
Of je bij geel nog kunt stoppen, hangt af van je snelheid. Rijd je 15 km/u op het kruispunt af, dan sta je ruim op tijd stil. Rijd je 40 km/u, dan zou je vol op de rem moeten en dat verwacht het verkeer achter je niet — dan is doorrijden vaak veiliger.
Waarschuwingslichten en gele pijlen
Bij een geel verkeerslicht stop je als dat veilig kan. Voor een waarschuwingslicht geldt dat niet. Brandt er maar één lampje en knippert het, dan is dat alleen een waarschuwing. Je hoeft niet te stoppen, maar je moet wel extra opletten.
Eén knipperend lampje: een waarschuwing, geen stopgebod.
Hetzelfde geldt voor een kleine gele pijl naast een driekleurig verkeerslicht. Die pijl verplicht je niet te stoppen, maar waarschuwt dat je extra alert moet zijn als je de bocht neemt.
Denk daarbij ook aan het ronde groene licht. Dat betekent dat je behalve rechtdoor ook gewoon rechtsaf mag. Maar sla je rechtsaf, dan kruis je vaak een fietspad — en die fietsers hebben op dat moment meestal óók groen. Zij kunnen dus voorrang hebben.
De gele pijl waarschuwt voor het fietspad dat je bij het afslaan kruist.
Spoorwegovergangen, lichten en bakens
Een tramspoorlicht met twee knipperende rode lichten verplicht tot stoppen voor een tram.
Zo'n licht met twee lampjes staat er niet voor de sier: knipperen ze, dan komt er een tram aan en mag je niet doorrijden. Pas wanneer het licht uit is, mag je verder.
Bord J12 (Enkel spoor): 1 spoorwegkruis betekent een enkel spoor.
Bord J13 (Meerdere sporen): 2 spoorwegkruisen betekenen twee of meer sporen.
Bij een spoorwegovergang met knipperende rode lichten komt er een trein aan en moet je stoppen. Dat geldt ook als er géén slagbomen staan: een gevecht met een trein win je nooit.
Bord J10 (Overweg met slagbomen): je nadert een overweg die met slagbomen wordt afgesloten.
Bord J11 (Overweg zonder slagbomen): geen slagbomen, maar knipperen de rode lichten, dan stop je net zo goed.
Elk schuin streepje op een spoorwegbaken staat voor 80 meter afstand tot de overweg.
Drie strepen is 240 meter, twee strepen is 160 meter en 1 streep is 80 meter.
Reken het simpel uit: aantal strepen × 80 meter = de afstand tot de overweg. Let ook op de richting van de schuine strepen: de onderkant wijst altijd naar de weg toe, zodat je ziet aan welke kant van het baken je moet rijden.
Paaltjes met reflectoren
Langs wegen zonder straatverlichting staan paaltjes met reflectoren. Ze helpen je om in het donker niet in de berm of op de verkeerde weghelft te belanden.
De witte reflectoren staan aan de linkerkant van de weg, de rode aan de rechterkant. Vergelijk het met de lichten van andere auto's: links zie je de witte koplampen van tegenliggers, rechts de rode achterlichten van de auto voor je.
Ezelsbruggetje: rood begint met een R, net als rechts.
Wit links, rood rechts — dezelfde kleuren als de koplampen en achterlichten om je heen.
Aanwijzingen en gebaren van de verkeersregelaar
Aanwijzingen van bevoegde personen gaan boven alle verkeerslichten, borden en regels.
Zie je de borst of rug van de verkeersregelaar, dan geldt dat als een gesloten slagboom.
Je herkent een verkeersregelaar aan het felgele vest met een oranje vlak en een reflecterende driehoek. Zijn aanwijzingen moet je altijd opvolgen — ook als het geen politieagent is, en ook als de borden langs de weg iets anders zeggen.
Een opgestoken arm betekent dat het verkeer vanuit alle richtingen moet stoppen.
Beweegt de verkeersregelaar zijn arm op en neer, dan moet je langzamer rijden.
Het slagboomsysteem
De verkeersregelaar staat midden op het kruispunt. Rijd je op de rechterrijstrook, dan passeer je hem aan zijn rechterkant. Kijk daarbij naar de arm aan jouw kant en zie die arm als een slagboom: gaat de slagboom omlaag, dan stop je.
Steekt hij de arm aan jouw kant uit? Stoppen — anders rijd je tegen de slagboom aan.
Steekt hij beide armen uit? Dan stopt het verkeer dat hem van voren nadert én het verkeer dat hem van achteren nadert.
Nader je hem van de zijkant? Dan houdt hij zijn arm naar voren gestrekt, zodat je de slagboom nog steeds ziet.
De arm aan jouw kant is jouw slagboom. Wat de andere arm doet, geldt voor het verkeer van de andere kant.Van de zijkant benaderd: de arm naar voren is voor jou de slagboom.
Het stopteken — de hand omhoog in jouw richting — werkt anders. Dat geldt voor alle voertuigen, uit welke richting ze ook komen. Bij het slagboomsysteem kijk je juist alleen naar de arm aan jouw kant.
Gebaar Verkeersregelaar
Betekenis voor de bestuurder
Borst of rug naar jou toe
Stoppen voor verkeer van voren of van achteren
Armen zijwaarts gestrekt
Stoppen voor kruisend verkeer dat armen nadert
Eén arm recht omhoog
Stopteken voor al het verkeer uit alle richtingen
Arm op en neer bewegen
Snelheid verminderen en langzamer rijden
Arm naar voren gestrekt (jij nadert van de zijkant)
Stoppen — de arm is ook dan jouw slagboom
Je hebt Verkeerslichten, Spoorlichten & Verkeersregelaars gehad. Blijft het hangen?
FAQ
Veelgestelde vragen
Korte antwoorden op vragen die vaak terugkomen bij Wegmarkeringen & Kruispunten.
Hoe ver staat een spoorwegbaken met drie strepen van de overweg?
Elke schuine streep op een spoorwegbaken staat voor 80 meter afstand. Drie strepen betekenen dat de overweg zich op 240 meter afstand bevindt.
Wat is de rangorde tussen verkeersregelaars, verkeerslichten en verkeersborden?
Aanwijzingen van verkeersregelaars gaan boven verkeerslichten en verkeersborden. Verkeerslichten gaan boven verkeersborden. Verkeersborden gaan boven de algemene rechtsregel.
Hoe herken je een uitritconstructie op het examen?
Een uitrit heeft doorlopende bestrating over het trottoir of een verlaagde trottoirband. Bestuurders uit een uitrit moeten al het overige verkeer voor laten gaan.
Mag je voor het afslaan over een fietsstrook rijden?
Je mag over een fietsstrook met een onderbroken streep rijden om voor te sorteren. Bij een doorgetrokken streep mag je niet over de fietsstrook rijden.
Wanneer heeft verkeer van rechts geen voorrang op een gelijkwaardig kruispunt?
Verkeer van rechts heeft geen voorrang als het uit een uitrit komt. Een tram heeft op een gelijkwaardig kruispunt wel altijd voorrang.
Wat is het verschil tussen een doorgetrokken en onderbroken streep?
Een doorgetrokken streep mag je nooit overschrijden. Een onderbroken streep mag je overschrijden als dat veilig kan.
Blijf actueel oefenen
Met deze uitleg begrijp je de basis van wegmarkeringen, verkeerslichten en kruispunten. In het verkeer komen veel uitzonderingen voor, zoals tijdelijke markeringen, pijllampen en aanwijzingen van verkeersregelaars; oefen daarom in onze app met de meest actuele CBR-informatie.
Klaar om te oefenen?
Test je kennis van Wegmarkeringen & Kruispunten met 65 oefenvragen in de app.
Je eerste quiz is gratis en zonder account. ·Daarna vanaf €19,99 voor 90 dagen toegang.