Leer hoe autoverlichting werkt en wat dashboardlampjes betekenen voor veilig rijden en communicatie. Oefen dit CBR theorie-onderwerp gratis met examenvragen.
Goede verlichting is cruciaal voor zichtbaarheid en communicatie. Deze module legt uit welke lichten je gebruikt en wat dashboardlampjes aangeven.
Autoverlichting & Dashboard in het kort
Autoverlichting: veilig en zichtbaar
Gebruik altijd de juiste verlichting om goed zichtbaar te zijn en zelf goed te kunnen zien. Dimlicht is de meest gebruikte verlichting en mag altijd aan, ook overdag. Het verlicht de weg zonder anderen te verblinden.
Grootlicht gebruik je alleen 's nachts op onverlichte wegen zonder tegenliggers. Het is fel en kan anderen verblinden, dus zet het snel uit bij tegenliggers of voorliggers.
Stadslicht gebruik je alleen om geparkeerde auto’s zichtbaar te maken, niet tijdens het rijden in het donker. Dagrijlicht gaat automatisch aan bij moderne auto's en is bedoeld voor overdag bij goed zicht.
Mistverlichting
Gebruik mistlicht aan de voorkant alleen bij ernstig slecht zicht door mist, sneeuw of regen. Het mist-achterlicht mag alleen aan bij minder dan 50 meter zicht door mist of sneeuw, niet bij regen.
Dashboardlampjes en autocontrole
Dashboardlampjes geven belangrijke informatie over de staat van je auto. Ze waarschuwen voor problemen zoals kapotte verlichting, motorstoringen of lage bandenspanning. Negeer deze signalen niet en controleer je auto tijdig.
Niet alles heeft een lampje. Het oliepeil en de bandenspanning controleer je zelf, voordat je gaat rijden.
Tekens en signalen geven
Gebruik je verlichting en geluidssignalen om anderen te waarschuwen bij gevaar, bijvoorbeeld door kort je grootlicht te knipperen of de claxon te gebruiken. Dit mag alleen om gevaar te voorkomen, niet om bijvoorbeeld te waarschuwen voor controles.
Geef altijd tijdig richting aan met je knipperlichten bij afslaan, invoegen, of het verlaten van een rotonde. Dit helpt andere weggebruikers om jouw intenties te begrijpen en veilig te reageren.
Grootlicht helpt je verder vooruit te kijken op een donkere, onverlichte weg. Voor het CBR draait het vooral om één vraag: verblind je iemand?
Zie je een tegenligger, een voertuig voor je of een fietser die last kan hebben van jouw felle licht, dan gebruik je geen grootlicht.
Kernregel voor het examen: gebruik grootlicht alleen 's nachts als er geen tegenliggers zijn en je niemand voor je verblindt. Bij mist is grootlicht ongunstig, omdat het licht terugkaatst en je zicht juist slechter wordt.
Wanneer wel en wanneer niet
Grootlicht zijn krachtige lampen aan de voorkant van de auto. Je gebruikt ze om verder vooruit te kunnen kijken, maar alleen als dat veilig kan. Op examenvragen is het niet genoeg om alleen naar tegenliggers te kijken: verkeer voor je telt net zo goed mee.
Situatie
Grootlicht
Waarom
's Nachts op een onverlichte weg en je bent alleen
Wel
Je mag grootlicht gebruiken om verder vooruit te kijken.
Er komt een tegenligger aan
Niet
Grootlicht is te fel en kan verblinden.
Er rijdt een auto voor je
Niet
Het licht kan via de binnenspiegel in de ogen van de bestuurder schijnen.
Er rijdt een fietser voor of tegemoet
Niet
Ook fietsers kunnen verblind raken, bijvoorbeeld als ze achterom kijken.
Het is mistig
Niet slim
De mist kaatst het licht terug, waardoor je zicht ernstig wordt belemmerd.
Dreigend gevaar
Wel als knippersignaal
Kort aan en uit is een waarschuwing, geen rijverlichting.
Op een donkere, lege weg mag grootlicht wel.
Het knippersignaal zelf hoort bij het geven van tekens; dat staat in onderdeel 5.
Je hebt Lichten: grootlicht gehad. Blijft het hangen?
Mistlicht voor gebruik je alleen als het zicht ernstig wordt belemmerd door mist, sneeuw of hevige regen.
Voor het CBR is de kern: het mag wel, maar het hoeft nooit. Dimlicht mag namelijk altijd. Het mist-achterlicht heeft eigen, strengere regels.
Kernregel voor het examen: mistlicht voor mag alleen bij ernstig beperkt zicht door mist, sneeuw of hevige regen. Het mist-achterlicht mag pas bij minder dan 50 meter zicht door mist of sneeuw — en nooit bij regen.
Wat “ernstige omstandigheden” betekent
De term klinkt zwaar, maar bedoeld wordt: weer dat je zicht ernstig belemmert. Dat is dus niet alleen mist, maar ook sneeuw en hevige regen. Alleen in die gevallen komt mistverlichting in beeld.
Let op het woord ernstig. Niet elke regenbui of lichte nevel is genoeg. In examenvragen gaat mistverlichting over echt slecht zicht.
Mistlicht voor
Mistlicht aan de voorkant mag je gebruiken als het zicht ernstig wordt belemmerd door:
mist;
sneeuw;
hevige regen.
Het is nooit verplicht. Dat komt doordat niet elke auto mistlicht heeft, en doordat dimlicht in elke situatie is toegestaan. Gebruik je dimlicht, dan hoef je geen mistlicht aan te zetten; zie onderdeel 3 voor de regels rond dimlicht.
Je kunt mistlicht voor samen met dimlicht gebruiken, maar dat wordt niet aanbevolen. Kies liever tussen die twee.
Mistlicht voor is toegestaan bij mist, sneeuw en hevige regen.
Mist-achterlicht
Voor het mist-achterlicht gelden strengere regels. Je mag het alleen aanzetten als je minder dan 50 meter zicht hebt door mist of sneeuw.
De reden is dat het mist-achterlicht een erg felle rode lamp is. Bij beter zicht verblind je er de bestuurders achter je mee.
Bij regen mag het mist-achterlicht niet aan: de regen reflecteert het felle licht naar achteren en hindert zo het verkeer achter je. Mistlicht vóór mag bij regen wél.
✅ Hevige regen, zicht ernstig beperkt → alleen mistlicht voor, of dimlicht.
Weersomstandigheid
Mistlicht voor
Mist-achterlicht
Mist, zicht ernstig beperkt
Mag
Alleen bij minder dan 50 meter zicht
Sneeuw, zicht ernstig beperkt
Mag
Alleen bij minder dan 50 meter zicht
Hevige regen, zicht ernstig beperkt
Mag
Niet gebruiken
Normaal zicht
Niet gebruiken
Niet gebruiken
Verplicht?
Nee, altijd optioneel
Nee, alleen toegestaan onder de 50 meter
Zo meet je die 50 meter
Je hoeft niet te gokken. Langs de weg staan hectometerpaaltjes, en die staan om de 100 meter — één hectometer.
Sta je ter hoogte van een paaltje en zie je het volgende paaltje al staan, dan heb je meer dan 50 meter zicht. Het mist-achterlicht mag dan niet aan.
Hectometerpaaltjes staan om de 100 meter. Zie je het volgende al staan, dan is je zicht meer dan 50 meter.
CBR-valkuil
Leerlingen halen mistlicht voor en mist-achterlicht door elkaar. Het verschil zit in twee dingen: de regen en de 50 meter.
Mistlicht voor: mag bij mist, sneeuw én hevige regen, zodra het zicht ernstig beperkt is.
Mist-achterlicht: alleen bij minder dan 50 meter zicht door mist of sneeuw, en nooit bij regen.
Een tweede valkuil is denken dat mistlicht voor verplicht wordt zodra het slecht weer is. Dat is niet zo: het is en blijft een toegestane keuze.
Je hebt Lichten: Mistlicht gehad. Blijft het hangen?
Bij CBR-vragen is dimlicht meestal het veilige en juiste antwoord zodra je extra verlichting nodig hebt. Stadslicht is vooral bedoeld om een geparkeerd voertuig zichtbaar te maken en is tijdens het rijden vaak niet genoeg.
Dagrijlicht is de derde soort: het gaat vanzelf aan, maar telt niet als verlichting zodra je die echt nodig hebt.
Kernregel voor het examen: dimlicht mag altijd en is verplicht in het donker, in een tunnel en bij slecht zicht. Stadslicht is voor een geparkeerde auto. Dagrijlicht is voor overdag bij goed zicht, en telt niet mee zodra je echte verlichting nodig hebt.
Waarom de juiste verlichting telt
Het gaat om twee dingen tegelijk: goed zichtbaar zijn voor anderen, en zelf goed kunnen zien. Ben je slecht zichtbaar, dan rijdt een ander tegen je aan. Zie je zelf te weinig, dan rijd je ergens tegenaan.
Dimlicht
Dimlicht is de meest gebruikte verlichting van de auto. Je mag het altijd gebruiken, ook overdag.
Verplicht als het donker is.
Verplicht in een tunnel.
Verplicht bij slecht zicht.
Dimlicht is niet fel en schijnt naar beneden. Daardoor verblindt het niemand — dat is de reden dat het in elke situatie mag.
Schakel je dimlicht in, dan gaan niet alleen de koplampen aan, maar ook de achterlichten. Je ziet dus beter, én anderen zien jou beter.
Het dimlicht moet altijd werken. Ga je de weg op met een kapot voor- of achterlicht, dan kun je daarvoor een boete krijgen.
Bij dimlicht branden voor- én achterlichten.
Stadslicht
Stadslicht heet ook parkeerlicht. Het bestaat uit kleine lampen aan de voor- en achterkant van de auto, inclusief de kentekenverlichting.
Stadslicht verlicht de weg en je omgeving niet goed genoeg. Op een heldere zomerdag kun je ermee rijden, maar zodra het donker wordt of je extra verlichting nodig hebt, schakel je over op dimlicht. Het is zelfs verboden om tijdens het rijden alleen stadslicht te gebruiken als extra licht nodig is; gebruik dan dimlicht, of stadslicht samen met dimlicht.
Parkeer je 's nachts buiten de bebouwde kom, of sta je op de rijbaan, dan ben je juist verplicht stadslicht te gebruiken. Zo zien andere weggebruikers je auto in het donker staan.
Stadslicht is bedoeld voor zichtbaar parkeren, niet om de weg te verlichten.
Dagrijlicht
Alle auto's van na 2010 hebben dagrijlicht, meestal LED-verlichting. Het gaat automatisch aan zodra je de auto start en maakt de auto beter zichtbaar.
Dagrijlicht is bedoeld voor overdag bij goed zicht. Zodra je echte verlichting nodig hebt — in een tunnel, 's nachts of bij regen met verminderd zicht — mag je er niet op vertrouwen, want dagrijlicht maakt de weg niet beter zichtbaar. Dan gebruik je dimlicht.
Dagrijlicht mag ook niet met andere verlichting gecombineerd worden. Daarom schakelt het vanzelf uit zodra je andere verlichting inschakelt.
Dagrijlicht gaat vanzelf aan en is alleen bedoeld voor overdag bij goed zicht.
Welk licht bij welke situatie
Situatie
Dimlicht
Stadslicht
Dagrijlicht
Overdag bij goed zicht
Mag
Mag
Mag
In het donker rijden
Verplicht
Niet genoeg
Niet genoeg
In een tunnel
Verplicht
Niet genoeg
Niet toegestaan
Bij slecht zicht rijden, bijvoorbeeld regen
Verplicht
Niet genoeg
Niet toegestaan
Ernstig beperkt zicht door mist, sneeuw of hevige regen
Mag altijd
Niet genoeg
Niet toegestaan
's Nachts buiten de bebouwde kom parkeren of op de rijbaan staan
—
Verplicht
—
Bij ernstig beperkt zicht komt daar mistverlichting bij; die regels staan in onderdeel 2.
Je hebt Lichten: Dimlicht en stadslicht gehad. Blijft het hangen?
Bij dashboardlampjes kijkt het CBR vooral naar kleur en directe actie. Rood is ernstig, oranje vraagt controle en groen geeft meestal alleen aan dat een systeem aan staat.
In dit deel leer je de kleurregel en de rode lampjes: welk symbool waar bij hoort, en wat je meteen doet.
Kernregel voor het examen: rood = onmiddellijk stoppen en de motor uit. Oranje of geel = doorrijden naar een parkeerplaats of garage. Groen = een systeem staat aan. Knippert het motormanagementlampje, behandel dat dan als rood.
Kleur eerst, betekenis daarna
Bij een examenvraag hoef je niet elk technisch detail te kennen. Je moet vooral weten hoe ernstig het lampje is en wat je direct doet.
Kleur lampje
Betekenis
Wat doe je?
Rood
Ernstig probleem
Stop de auto onmiddellijk en zet de motor uit
Oranje/geel
Probleem dat gecontroleerd moet worden
Je kunt nog rijden; ga zo snel mogelijk naar een garage
Groen
Systeem werkt of staat ingeschakeld
Geen storing; dit is alleen een melding
Knipperend motormanagement
Groot probleem
Behandel als rood: zo snel mogelijk stoppen
Het negeren van een rood lampje kan leiden tot ernstige schade aan de auto of zelfs tot ongelukken.
De precieze betekenis kan per merk en model verschillen. Weet je niet zeker wat een lampje betekent, raadpleeg dan het instructieboekje van je auto of een monteur.
Let op kleur en symbool: dat bepaalt je eerste beslissing.
De rode lampjes
Dit zijn de lampjes waarbij je stopt. Elk lampje heeft een herkenningspunt in het symbool zelf.
Motormanagement / motorstoring
Je ziet een afbeelding van een motorblok. Er is iets aan de hand met de motor of de elektronica.
Brandt het lampje: er is een storing die gecontroleerd moet worden.
Knippert het lampje: groot probleem, dus zo snel mogelijk stoppen.
Motor oververhit / koelvloeistof
Je herkent de thermometer: dit lampje gaat over de temperatuur van de motor. De motor is te heet, wat kan komen door een tekort aan koelvloeistof. Stoppen en de motor uit.
Oliepeil te laag of te hoog
Het symbool lijkt op een ouderwetse olielamp. Het oliepeil is te laag of te hoog.
Stop en controleer het oliepeil, dan weet je of je olie moet bijvullen of juist aftappen. Laat de motor daarvoor eerst minimaal 20 minuten afkoelen.
Remsysteem / handrem
De streep in het midden lijkt op de hendel van de handrem, het rondje eromheen is de band en de haakjes zijn de remmen.
Dit lampje kan drie dingen betekenen:
de handrem is aangetrokken terwijl de motor draait;
er is een probleem met het remsysteem;
de remvloeistof moet worden bijgevuld.
Accuspanning laag
Je herkent een accu met een plus en een min. Er kan een storing zijn in de dynamo, de aandrijfsnaar of de stroomkabels.
Een lege accu komt ook door gewoon gebruik: laat je je lichten aan staan, dan blijven die stroom trekken. En bij korte ritten heeft de dynamo te weinig tijd om de accu weer vol te laden.
Gevarenlicht
Dit lampje lijkt op een gevarendriehoek en knippert rood, maar het is géén storing. Het geeft alleen aan dat je gevarenlichten — ook wel waarschuwingslichten — aan staan.
De rode lampjes en hun herkenningspunten.
De oranje en groene lampjes staan in onderdeel 5.
CBR-valkuil
De meest gemaakte fout is: rood lampje, nog even doorrijden naar huis of naar de volgende afrit. Dat is fout. Bij rood geldt: onmiddellijk stoppen en de motor uit.
De tweede valkuil is het knipperende motormanagementlampje behandelen als gewoon oranje. Knipperend motormanagement betekent hetzelfde als rood: zo snel mogelijk stoppen.
Je hebt Lichten: Dashboard lampjes deel 1 gehad. Blijft het hangen?
In dit deel staan de lampjes die je niet meteen aan de kant zetten: oranje waarschuwingen en groene meldingen.
Daarna twee dingen die het CBR ook onder voertuigkennis rekent: de controles die je zélf doet omdat er geen lampje voor is, en het geven van tekens — met je lichten, je claxon en je richtingaanwijzer.
Kernregel voor het examen: oranje of geel betekent dat je meestal nog mag doorrijden, maar het snel moet laten controleren. Groen betekent dat een systeem aan staat. En signalen — licht, claxon, richtingaanwijzer — geef je om gevaar te voorkomen of om te laten zien wat je van plan bent.
Oranje en groen
Kleur lampje
Betekenis
Mag je doorrijden?
Actie
Oranje/geel
Er is een probleem dat gecontroleerd moet worden
Ja, meestal wel
Rijd door naar een parkeerplaats of garage en laat het snel verhelpen
Groen
Een systeem is ingeschakeld of werkt normaal, bijvoorbeeld je verlichting
Ja
Geen directe actie nodig
De uitzondering is het knipperende motormanagementlampje: dat telt als rood. De kleurregel en de rode lampjes staan in onderdeel 4.
Motormanagement / motorstoring
Een lampje in de vorm van een motorblok betekent dat er iets is met de motor of de elektronica. Brandt het oranje, dan kun je meestal nog rijden, maar laat het zo snel mogelijk controleren.
ABS-storing
ABS staat voor anti-blokkeersysteem. Dat systeem zorgt ervoor dat de wielen bij hard remmen blijven rollen. Daardoor slippen de banden niet over het wegdek, blijft de auto bestuurbaar en kun je hard remmen. Licht het lampje met de letters ABS op, dan is er een storing in dat systeem.
Ruitensproeiervloeistof
Een lampje met een “fonteintje” bij een ruit: de ruitensproeiervloeistof moet worden bijgevuld. Je mag doorrijden, maar los het snel op.
Cruisecontrol
Een pijltje dat naar een snelheid wijst. Er is een snelheid vastgezet die de auto zelf aanhoudt; je hoeft geen gas meer te geven.
Achterruitverwarming
Een vierkante ruit met verwarmingslijnen erin, als pijltjes die omhoog wijzen — warme lucht stijgt op, en de achterruit wordt altijd als vierkant getekend. De achterruitverwarming staat aan.
Automatisch start-stopsysteem
Een A met een ronde pijl: de A staat voor automatisch, de pijl lijkt op het herstart-icoontje van je telefoon.
Dit systeem zet de motor automatisch uit als je stilstaat en start hem weer als je gaat rijden.
Oranje waarschuwt, groen informeert.
Wat je zélf controleert
Niet alles heeft een lampje. Deze controles doe je voordat je gaat rijden.
Oliepeil
Controleer het oliepeil regelmatig. Zo blijft de motor goed gesmeerd en is de kans op motorschade kleiner. Het lampje dat hierbij hoort staat in onderdeel 4, inclusief de 20 minuten afkoelen.
Bandenspanning
Ook de bandenspanning controleer je voordat je gaat rijden. Bandenspanning wordt vaak over het hoofd gezien, maar heeft grote invloed op de wegligging: de banden zijn de enige onderdelen van de auto die het wegdek raken, dus ze mogen niet te hard en niet te zacht zijn. Doe deze controle zelf: niet elke auto heeft er een waarschuwingslampje voor.
Verkeerde brandstof getankt
Merk je bij de pomp dat je de verkeerde brandstof tankt, stop dan direct. Start de motor niet — dat kan het brandstofsysteem ernstig beschadigen. Roep de hulp in van een pechdienst, die de tank kan legen voordat er schade ontstaat.
Oliepeil en bandenspanning controleer je zelf, vóór vertrek.
Waarschuwen met licht- en geluidssignalen
Zie je gevaar op de weg aankomen, dan mag je andere bestuurders waarschuwen. Dat doe je door te claxonneren of door kort je grootlicht of dimlicht aan en uit te zetten.
Voorbeelden van zulke situaties:
een tegenligger met een kapotte koplamp;
iemand die in het donker helemaal geen licht voert;
een auto met een losse uitlaat;
spelende kinderen op de weg.
Word je zelf door een tegenligger verblind met grootlicht, dan mag je ook kort met je lichten knipperen.
Belangrijk: je mag deze signalen alleen gebruiken om gevaar te voorkomen. Anderen waarschuwen voor bijvoorbeeld een snelheidscontrole mag niet. Op het examen valt dit onderwerp grotendeels onder voertuigkennis.
Kort knipperen mag om gevaar te voorkomen — niet om voor een controle te waarschuwen.
Richting aangeven
Met je richtingaanwijzer laat je op tijd weten wat je van plan bent, zodat anderen daarop kunnen reageren.
Aangeven is verplicht als je van rijstrook wisselt, afslaat of een rotonde verlaat.
Wil je wegrijden of invoegen, dan geef je richting aan op het moment dat er genoeg ruimte is en je ook echt van plan bent te gaan. Je mag geen voorrang opeisen door te vroeg richting aan te geven.
Invoegen en de snelweg verlaten
Voordat je vanaf de oprit invoegt, maak je eerst snelheid op de invoegstrook. Geef pas richting aan op het moment dat je veilig kunt invoegen op de hoofdrijbaan.
Verlaat je de snelweg, dan mag je dat van tevoren aangeven: 300 meter voor de afrit geef je rechts richting aan, en je houdt de richtingaanwijzer aan tot het einde van de belijning.
De rotonde verlaten
Bij het verlaten van een rotonde geef je altijd rechts richting aan. Dat doe je zodra de afslag die je wilt nemen de eerstvolgende is die je tegenkomt.
Neem je driekwart van de rotonde, dus de derde afslag, dan mag je van tevoren je linker richtingaanwijzer aanzetten. Dat is niet verplicht, maar wel veiliger.
Wil je bij de eerste afslag rechtsaf, dan geef je richting aan vóórdat je de rotonde oprijdt.
Bij het verlaten van de rotonde geef je altijd rechts richting aan.
Je hebt Lichten: Dashboard lampjes deel 2 gehad. Blijft het hangen?
FAQ
Veelgestelde vragen
Korte antwoorden op vragen die vaak terugkomen bij Autoverlichting & Dashboard.
Wanneer gebruik je dimlicht, groot licht en mistlicht?
Bij normaal donker of slecht zicht gebruik je dimlicht. Groot licht gebruik je buiten de bebouwde kom als er geen verkeer vlak vóór je of tegemoet komt — je dimt op tijd om anderen niet te verblinden. Het mistachterlicht mag je alleen aanzetten als het zicht door mist, sneeuw of regen minder dan 50 meter is.
Wat betekenen de kleuren van de waarschuwingslampjes in je auto?
De kleur geeft de urgentie aan. Een rood lampje betekent: zo snel mogelijk veilig stoppen, er is een ernstig probleem (bijvoorbeeld oliedruk, motortemperatuur of de rem). Een oranje of geel lampje is een waarschuwing die minder dringend is — laat het snel controleren. Een knipperend lampje is dringender dan een lampje dat continu brandt.
Blijf actueel oefenen
Je hebt nu de basis van autoverlichting, dashboardlampjes en signalen geven. De exacte regels hangen vaak af van zicht, weer, tijdstip en gevaar; oefen in onze app met de meest actuele CBR-informatie zodat je weet welk licht of signaal wanneer hoort.
Klaar om te oefenen?
Test je kennis van Autoverlichting & Dashboard met 55 oefenvragen in de app.
Je eerste quiz is gratis en zonder account. ·Daarna vanaf €19,99 voor 90 dagen toegang.