Verkeerslichten, spoorlichten en verkeersregelaars
Wat doe je bij oranje, rood of een knipperend licht? Verkeerslichten, spoorlichten en de tekens van een verkeersregelaar, zoals het CBR ze vraagt.
Meer dan alleen borden
Naast de borden langs de weg zijn er nog andere dingen die je vertellen wat je moet doen: de lampen, de kleine paaltjes langs de weg en de lijnen en tekens op het wegdek. Ze laten je weten waar je mag rijden, wanneer je door mag rijden, of je van rijbaan mag veranderen en of er gevaar is.
Let dus niet alleen op de borden. Alles wat je in het verkeer iets vertelt, staat er om jou en anderen veilig te houden.
Verkeerslichten met pijl en ronde verkeerslichten
Een groen verkeerslicht met een pijl betekent dat jouw rijrichting vrij is van tegenliggers.

Een rond groen verkeerslicht betekent dat je mag rijden, maar tegenliggers kunnen ook groen hebben.
Bij een rond licht moet je tegemoetkomend verkeer en kruisende voetgangers voor laten gaan.
Bij een geel licht moet je stoppen als dat nog veilig kan.
Ezelsbruggetje voor het ronde licht: het ronde lampje lijkt op de letter "O" — Overal kan verkeer vandaan komen. Bij een pijl mag je alleen de kant op waar de pijl heen wijst, maar je weet dan wél zeker dat er geen tegenliggers zijn. Bij een rond licht moet je altijd zelf blijven kijken.
Of je bij geel nog kunt stoppen, hangt af van je snelheid. Rijd je 15 km/u op het kruispunt af, dan sta je ruim op tijd stil. Rijd je 40 km/u, dan zou je vol op de rem moeten en dat verwacht het verkeer achter je niet — dan is doorrijden vaak veiliger.
Waarschuwingslichten en gele pijlen
Bij een geel verkeerslicht stop je als dat veilig kan. Voor een waarschuwingslicht geldt dat niet. Brandt er maar één lampje en knippert het, dan is dat alleen een waarschuwing. Je hoeft niet te stoppen, maar je moet wel extra opletten.
Hetzelfde geldt voor een kleine gele pijl naast een driekleurig verkeerslicht. Die pijl verplicht je niet te stoppen, maar waarschuwt dat je extra alert moet zijn als je de bocht neemt.
Denk daarbij ook aan het ronde groene licht. Dat betekent dat je behalve rechtdoor ook gewoon rechtsaf mag. Maar sla je rechtsaf, dan kruis je vaak een fietspad — en die fietsers hebben op dat moment meestal óók groen. Zij kunnen dus voorrang hebben.
Spoorwegovergangen, lichten en bakens
Een tramspoorlicht met twee knipperende rode lichten verplicht tot stoppen voor een tram.

Zo'n licht met twee lampjes staat er niet voor de sier: knipperen ze, dan komt er een tram aan en mag je niet doorrijden. Pas wanneer het licht uit is, mag je verder.
Bord J12 (Enkel spoor): 1 spoorwegkruis betekent een enkel spoor.
Bord J13 (Meerdere sporen): 2 spoorwegkruisen betekenen twee of meer sporen.
Bij een spoorwegovergang met knipperende rode lichten komt er een trein aan en moet je stoppen. Dat geldt ook als er géén slagbomen staan: een gevecht met een trein win je nooit.
Bord J10 (Overweg met slagbomen): je nadert een overweg die met slagbomen wordt afgesloten.
Bord J11 (Overweg zonder slagbomen): geen slagbomen, maar knipperen de rode lichten, dan stop je net zo goed.
Elk schuin streepje op een spoorwegbaken staat voor 80 meter afstand tot de overweg.
Drie strepen is 240 meter, twee strepen is 160 meter en 1 streep is 80 meter.

Reken het simpel uit: aantal strepen × 80 meter = de afstand tot de overweg. Let ook op de richting van de schuine strepen: de onderkant wijst altijd naar de weg toe, zodat je ziet aan welke kant van het baken je moet rijden.
Paaltjes met reflectoren
Langs wegen zonder straatverlichting staan paaltjes met reflectoren. Ze helpen je om in het donker niet in de berm of op de verkeerde weghelft te belanden.
De witte reflectoren staan aan de linkerkant van de weg, de rode aan de rechterkant. Vergelijk het met de lichten van andere auto's: links zie je de witte koplampen van tegenliggers, rechts de rode achterlichten van de auto voor je.
Ezelsbruggetje: rood begint met een R, net als rechts.
Aanwijzingen en gebaren van de verkeersregelaar
Aanwijzingen van bevoegde personen gaan boven alle verkeerslichten, borden en regels.
Zie je de borst of rug van de verkeersregelaar, dan geldt dat als een gesloten slagboom.


Je herkent een verkeersregelaar aan het felgele vest met een oranje vlak en een reflecterende driehoek. Zijn aanwijzingen moet je altijd opvolgen — ook als het geen politieagent is, en ook als de borden langs de weg iets anders zeggen.
Een opgestoken arm betekent dat het verkeer vanuit alle richtingen moet stoppen.
Beweegt de verkeersregelaar zijn arm op en neer, dan moet je langzamer rijden.

Het slagboomsysteem
De verkeersregelaar staat midden op het kruispunt. Rijd je op de rechterrijstrook, dan passeer je hem aan zijn rechterkant. Kijk daarbij naar de arm aan jouw kant en zie die arm als een slagboom: gaat de slagboom omlaag, dan stop je.
- Steekt hij de arm aan jouw kant uit? Stoppen — anders rijd je tegen de slagboom aan.
- Steekt hij beide armen uit? Dan stopt het verkeer dat hem van voren nadert én het verkeer dat hem van achteren nadert.
- Nader je hem van de zijkant? Dan houdt hij zijn arm naar voren gestrekt, zodat je de slagboom nog steeds ziet.
Het stopteken — de hand omhoog in jouw richting — werkt anders. Dat geldt voor alle voertuigen, uit welke richting ze ook komen. Bij het slagboomsysteem kijk je juist alleen naar de arm aan jouw kant.
| Gebaar Verkeersregelaar | Betekenis voor de bestuurder |
|---|---|
| Borst of rug naar jou toe | Stoppen voor verkeer van voren of van achteren |
| Armen zijwaarts gestrekt | Stoppen voor kruisend verkeer dat armen nadert |
| Eén arm recht omhoog | Stopteken voor al het verkeer uit alle richtingen |
| Arm op en neer bewegen | Snelheid verminderen en langzamer rijden |
| Arm naar voren gestrekt (jij nadert van de zijkant) | Stoppen — de arm is ook dan jouw slagboom |

