Vraag
1: In welke situatie moet je de voetganger voor laten gaan?
Juiste antwoord: in situatie A en B
Het correcte antwoord is C: in situatie A en B. Hier test het CBR-achtige vraagtype of je het verschil ziet tussen voorrang geven aan kruisende bestuurders en voetgangers voor laten gaan als jij afslaat. In beide situaties wil de auto een richting op waar de voetganger zich bevindt. Dan moet je die voetganger voor laten gaan. Een trucje om dit te onthouden is als volgt: zie je de buik of rug van de voetganger, neem dan gas terug en laat hem voor. Zie je de zijkant? Geef dan gas bij en rijd door.
De haaientanden en het voorrangsbord maken dat niet anders. Volgens de verkeersregels gelden haaientanden voor kruisende bestuurders, niet voor voetgangers. Dat betekent: je kijkt voor die markering naar verkeer op de kruisende weg, maar als jij daarna afslaat, moet je nog steeds letten op voetgangers in de weg die jij inrijdt. Precies daar zit de valkuil in deze vraag.
Vraag
2: Tijdens het rijden gaat dit symbool branden. Waarmee heeft dit symbool te maken?
Juiste antwoord: met de rem-inrichting
Het correcte antwoord is A) met de rem-inrichting. Dit rode dashboardlampje met een uitroepteken tussen remsymbolen hoort bij het remsysteem. In zo’n vraag test het CBR of je een belangrijk waarschuwingslampje direct herkent: rood betekent dat het om iets ernstigs gaat dat met de veiligheid van het voertuig te maken heeft.
Waarom juist de rem-inrichting? Omdat dit symbool specifiek wordt gebruikt voor een probleem met de remmen, de remvloeistof of een geactiveerde handrem. Het gaat dus niet om “algemene voertuigcontrole”, maar echt om een onderdeel dat direct invloed heeft op veilig kunnen stoppen. Bij voertuigkennis is dat precies het principe: je moet weten welk systeem wordt gewaarschuwd en waarom dat belangrijk is.
B) met de motor-olie is onjuist, omdat motor-olie een ander waarschuwingssymbool heeft. Dat herken je dus niet aan dit remteken. C) met de ruitensproeiervloeistof is ook onjuist, want ook daarvoor bestaat een ander, apart symbool. Bovendien past dat minder bij een rood waarschuwingslampje, omdat dit remsymbool juist wijst op een veiligheidsrelevant probleem.
Vraag
3: Bij welk bord mag je een vrachtauto inhalen?
Juiste antwoord: bij bord A
Het correcte antwoord is bij bord A. Dit bord betekent een verbod voor vrachtauto’s om motorvoertuigen in te halen.
Het CBR test hier of je het verschil ziet tussen een verbod dat uitsluitend voor vrachtauto’s geldt en een algemeen inhaalverbod. Op bord A zie je een rode vrachtauto naast een zwarte personenauto. Dit bord geldt alleen voor vrachtauto’s en dus niet voor jou! Jij mag hier met de lesauto wel inhalen, maar vrachtwagens niet.
Bord B daarentegen toont een rode personenauto naast een zwarte personenauto. Dit staat voor een algemeen inhaalverbod voor motorvoertuigen, wat betekent dat jij hier niet mag inhalen. Daarom is A goed en B niet
Vraag
4: Hoe kun je ervoor zorgen dat je auto minder brandstof verbruikt?
Juiste antwoord: door de banden op de juiste spanning te houden; door de cruise control te gebruiken
Het correcte antwoord is: door de banden op de juiste spanning te houden én door de cruise control te gebruiken. Bij dit soort vragen test het CBR of je snapt wat zuinig rijgedrag is. Een juiste bandenspanning helpt omdat de auto dan efficiënter rolt.
Ook cruise control is hier een passend antwoord, omdat je daarmee meestal gelijkmatiger rijdt. Rustig en constant rijden voorkomt onnodig versnellen en afremmen, en dat is gunstig voor het brandstofverbruik. De vraag gaat dus om keuzes die helpen om de auto zo efficiënt mogelijk te laten rijden.
Optie C, zo veel mogelijk in een lage versnelling blijven rijden, is juist ongunstig. Een lage versnelling zorgt er meestal voor dat de motor meer toeren maakt dan nodig is, en dat kost eerder extra brandstof dan dat het bespaart. Daarom is die optie onjuist of in elk geval minder passend bij zuinig rijden.
Vraag
5: Wat is de juiste volgorde van voor laten gaan?
Juiste antwoord: Volgorde op de afbeelding: 1 → 2 → 3
De lesauto heeft hier haaientanden. Dat betekent dat deze voorrang moet verlenen aan alle kruisende bestuurders. In dit geval gaat de lesauto dus als laatste.
De scooter (links in de afbeelding) en de motor (rechts in de afbeelding) rijden op dezelfde weg. Hier gelden twee regels: 'rechtdoor gaat voor afslaand' en 'korte bocht gaat voor lange bocht'. LET OP: dit geldt alleen als beide bestuurders op dezelfde weg rijden.
In dit geval geldt de regel 'rechtdoor gaat voor afslaand'. De scooter links gaat dus vóór de motor rechts. De juiste volgorde is daarom: scooter, motor, lesauto.
Vraag
6: Bij welk bord moet je bestuurders op de kruisende weg voor laten gaan?
Juiste antwoord: stopbord; Haaientanden
Het correcte antwoord is: bij het stopbord en het haaientanden bord (de omgekeerde wit-rode driehoek). Deze twee borden geven allebei direct aan dat jij bestuurders op de kruisende weg voor moet laten gaan. Bij het stopbord staat dat zelfs letterlijk in de betekenis van het bord: je moet stoppen en voorrang verlenen aan bestuurders op de kruisende weg. Bij verleen voorrang, haaientanden bord moet je ook die bestuurders voor laten gaan.
Het CBR let hier op het verschil tussen een bord dat alleen waarschuwt en een bord dat echt een voorrangsregel oplegt. Een waarschuwingsbord voor een kruising zegt alleen dat er een kruising aankomt. Het zegt niet dat bestuurders op de kruisende weg automatisch voorrang krijgen. De algemene voorrangsregels op kruispunten blijven dan gelden, zoals voorrang verlenen aan bestuurders van rechts, behalve als een andere regel of een bord iets anders aangeeft.
Het bord voorrangsweg is ook niet goed, omdat dat juist het omgekeerde aangeeft: jij rijdt dan op een weg met voorrang. Dat bord betekent dus niet dat jij bestuurders op de kruisende weg voor moet laten gaan. Daarom zijn alleen het stopbord en verleen voorrang juist in deze vraag.
Vraag
7: Moet je de fiets voor laten gaan?
Juiste antwoord: Nee
Het correcte antwoord is Nee. Hier zie je een gewone kruising: er zijn geen voorrangsborden en ook geen haaientanden. Dan geldt volgens de Nederlandse verkeersregels de basisregel op een kruispunt: je verleent voorrang aan bestuurders die van rechts komen. De fietser komt hier van links, dus je hoeft hem niet voor te laten gaan.
Dit is precies wat het CBR in zo’n vraag test: herken je eerst of het echt een kruispunt is, en kijk je daarna of er iets is dat de normale voorrangsregel verandert. Dat is hier niet zo. Haaientanden zouden betekenen dat je voorrang moet verlenen aan verkeer op de kruisende weg, maar die zijn niet aanwezig. Ook zijn er geen borden zichtbaar die een andere voorrangssituatie aangeven.
Daarom is A) Ja onjuist: een fietser krijgt niet automatisch voorrang alleen omdat het een fietser is. B) Nee is juist, omdat op deze kruising de regel “rechts gaat voor” geldt en de fietser niet van rechts komt.
Vraag
8: Bij welk van de 4 borden mag je rechtdoor rijden?
Juiste antwoord: 4: Verbod om keren
Het correcte antwoord is bord 4 verbod om te keren. Dat is het bord dat rechtdoor als enige toestaat, omdat het een verbod is om te keren en GEEN verbod op rechtdoor rijden. Bij dit soort vragen test het CBR of je het verschil kent tussen een gebodsbord en een verbodsbord: een blauw rond bord met een witte pijl geeft aan welke richting je moet volgen.
De andere borden passen daar niet bij. Bord 3 is een gebod om rechtsaf te gaan (dus je moet naar rechts), dus daarmee mag je niet rechtdoor. Bord 1 is een Eenrichtingsweg, in deze richting gesloten voor voertuigen: dat betekent dat je deze straat niet mag inrijden van deze kant, je mag hier dus ook niet rechtdoor.
Vraag
9: Welke kant van de weg geeft deze reflector aan?
Juiste antwoord: de linkerkant
Het correcte antwoord is A) de linkerkant. Een witte reflector geeft aan dat je naar de linkerzijde van de weg kijkt. Bij dit soort vragen test het theorie-examen of je reflectoren kunt herkennen om in het donker of bij slecht zicht de weg goed te kunnen volgen.
De andere optie, B) de rechterkant, is hier onjuist omdat daarvoor juist een rode reflector hoort. De handige ezelsbrug is: wit = links, rood = rechts. Op de afbeelding zie je een reflectorpaal met een witte reflector, dus dat past bij de linkerkant van de weg.
Het gaat hier niet om een voorrangsregel of bord, maar om herkenning van weggeleiding. Als je dit verschil kent, kun je sneller inschatten waar je op de weg zit en beter anticiperen, vooral in het donker.
Vraag
10: Welk bord geeft het einde van de adviessnelheid aan?
Juiste antwoord: alleen bord A
Het correcte antwoord is A) alleen bord A. Dit bord geeft het einde van de adviessnelheid aan. Bij dit soort vragen test het CBR of je het verschil herkent tussen een advies en een einde-matrixbord. Bord A hoort bij het RVV-bord A5: een blauw bord voor adviessnelheid, met een rode diagonale streep erdoor om aan te geven dat dat advies ophoudt.
Bord B is niet juist, omdat dat bord het einde aangeeft van alle door elektronische signaleringsborden aangegeven verboden en adviezen. Hierna gelden de gewone verkeersregels weer op de snelweg.
Vraag
11: Je rijdt in een langzaam rijdende file. Wat verwachten inhalende motoren hier van je?
Juiste antwoord: dat je rechts op de rijstrook gaat rijden
Het juiste antwoord is: dat je rechts op de rijstrook gaat rijden. In een file rijden motorrijders vaak tussen de twee meest linkse rijstroken door. Motorrijders verwachten dat jij ruimte voor hen maakt door zoveel mogelijk rechts op jouw eigen rijstrook te gaan rijden.
Vraag
12: In welke situatie mag je iemand laten uitstappen?
Juiste antwoord: alleen in situatie A
Het correcte antwoord is A: alleen in situatie A. Hier test het examen of je het verschil kent tussen parkeren/stilstaan bij een blauwe streep en stilstaan langs een gele doorgetrokken streep. Iemand laten uitstappen valt volgens de Nederlandse verkeersregels niet onder parkeren, omdat het gaat om het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers.
In situatie A sta je naast een blauwe streep. Die blauwe streep hoort bij regels over parkeren, je moet hier een parkeerschijf gebruiken. Dat verbiedt NIET dat je iemand kort laat uitstappen. Zolang het echt gaat om direct uitstappen, mag dat dus. In situatie B sta je naast een gele doorgetrokken streep. Daar mag je niet stilstaan. En als je iemand laat uitstappen, moet je juist wél even stilstaan. Bij een blauwe streep moet je een parkeerschijf gebruiken (je mag even stilstaan), bij een gele streep heb je een verbod om stil te staan. Dat verschil is precies waar het CBR hier op let.
Vraag
13: Op welke weg is je toegestane maximum-snelheid 90 kilometer per uur?
Juiste antwoord: alleen op weg B
Het juiste antwoord is alleen op weg B. Met een aanhanger is je maximumsnelheid op een autoweg of autosnelweg 90 km/u. Situatie B laat een autoweg zien. De normale maximumsnelheid is daar 100 km/u, maar met een aanhanger ben je dus beperkt tot 90 km/u. In situatie A zien we een bord 'einde 70'. Hierna geldt de standaard maximumsnelheid buiten de bebouwde kom: 80 km/u. Daar mag je dus geen 90 km/u rijden.
Vraag
14: In welke situatie heeft de fietsendrager de juiste kentekenplaat?
Juiste antwoord: alleen in situatie B
Het juiste antwoord is: alleen in situatie B. Op een fietsendrager hoort namelijk een witte kentekenplaat gemonteerd te zijn, geen gele. Een gele kentekenplaat is het officiële document van het voertuig zelf. Omdat de fietsendrager het zicht op deze originele plaat belemmert, ben je wettelijk verplicht om een goedgekeurde witte volgplaat (met hetzelfde kenteken als de auto) op de drager te voeren.
Vraag
15: Moet je rekening houden met aquaplaning?
Juiste antwoord: Ja
Het juiste antwoord is: A) Ja. In deze situatie moet je extra alert zijn op aquaplaning. Dit komt door twee zaken op de afbeelding: Nat wegdek: Er ligt duidelijk water op de weg. Waarschuwingsbord 'spoorvorming': Dit gele bord waarschuwt voor sporen of geulen in het asfalt (vaak veroorzaakt door zwaar vrachtverkeer). In deze sporen blijft gemakkelijk een flinke laag water staan. Maar wat is aquaplaning? Bij aquaplaning kan de autoband het water op het wegdek niet meer verwerken. Er komt een dunne laag water tussen de band en het wegdek te liggen. De auto gaat hierdoor als het ware 'waterskiën', waardoor je tijdelijk alle grip en controle over het stuur verliest
Vraag
16: Hoe mag je op deze rotonde inhalen?
Juiste antwoord: rechts en links
Het correcte antwoord is C: rechts en links. Normaal geldt volgens de verkeersregels dat inhalen links gebeurt. Dat is de hoofdregel. Maar op een rotonde rijden voertuigen vaak naast elkaar op verschillende rijstroken en dan kan het in de praktijk ook voorkomen dat je een ander voertuig rechts passeert. In zo’n examenvraag test het CBR of je de hoofdregel kent, maar ook snapt dat de weginrichting op een rotonde ruimte kan geven aan verkeer aan beide kanten.
Daarom is A: alleen rechts niet goed. Rechts inhalen is niet de algemene basisregel; die is juist links inhalen. Alleen rechts kiezen is dus te beperkt. B: alleen links is ook niet goed, omdat je op deze rotonde niet hoeft uit te gaan van maar één kant. Als de situatie op de rotonde dat toelaat, kun je verkeer zowel links als rechts voorbijgaan.
Belangrijk is wel dat je op een rotonde niet “agressief gaat inhalen”, maar netjes je rijstrook houdt, goed kijkt en voorspelbaar rijdt. Het gaat hier dus niet alleen om het woord inhalen, maar vooral om veilig passeren binnen de rijstroken van de rotonde.
Vraag
17: Wat is de juiste volgorde van voor laten gaan?
Juiste antwoord: Volgorde op de afbeelding: 1 → 2 → 3
De fietser mag hier als eerste. Dit is een lastig kruispunt, omdat de motorrijder hier formeel gezien nog steeds voorrang moet verlenen aan kruisende bestuurders.
Laten we dat even uitleggen. De motorrijder staat tussen twee wegen in, dus midden op de weg. De haaientanden gelden echter nog steeds voor de motorrijder. Hij moet daarom voorrang verlenen aan de fietser (kruisend verkeer).
De lesauto heeft hier ook haaientanden en moet dus eveneens voorrang verlenen aan de fietser.
We weten nu dat de fietser als eerste gaat. De motorrijder en de lesauto komen uit dezelfde richting. Hier geldt dus de regel: 'korte bocht gaat voor lange bocht'. De lesauto heeft de korte bocht en gaat voor. De juiste volgorde is dus: fietser, lesauto, motorrijder.
Een handig ezelsbruggetje bij dit soort situaties, waarbij een bestuurder midden op de weg staat, is: 'midden op de weg, is dikke vette pech'. De motorrijder moet in deze positie namelijk aan iedereen voorrang verlenen. Je weet dus meteen: de fietser gaat als eerste en de motor als laatste.
Vraag
18: De politie geeft je een rij-verbod. Welk voertuig mag je nog besturen?
Juiste antwoord: geen enkel voertuig
Het correcte antwoord is A) geen enkel voertuig. Een rijverbod geldt namelijk niet alleen voor auto’s of motoren, maar voor een voertuig in het algemeen. Volgens de wetgeving is het tijdens dat rijverbod verboden om een voertuig te besturen en dus zelfs een fiets. In de wet staat letterlijk: “Het is degene aan wie een rijverbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd, verboden een voertuig te besturen”.
Daarom is B) alleen een fiets onjuist. Een fiets is ook een voertuig, dus die mag je tijdens een rijverbod niet besturen. C) een fiets en een speed-pedelec is om dezelfde reden fout, en nog duidelijker fout omdat een speed-pedelec ook gewoon onder voertuigen valt. Het CBR test hier of je het woord voertuig breed leest en niet denkt dat een rijverbod alleen over gemotoriseerde voertuigen gaat.
De kernregel is dus: krijg je van de politie een rijverbod, dan mag je gedurende die periode geen enkel voertuig besturen. Dat is precies waarom antwoord A juist is.
Vraag
19: De lading op je auto steekt aan beide zijkanten 25 centimeter uit. Mag je op deze manier gaan rijden?
Juiste antwoord: Nee
Het juiste antwoord is: B) Nee. Bij het CBR geldt voor uitstekende lading aan de zijkant van een personenauto een duidelijke hoofdregel. Ondeelbare lading (spullen die je niet kleiner kunt maken, zoals een lange paal of een kast) mag aan de zijkanten maximaal 20 centimeter uitsteken. Let wel op: deelbare lading (zoals tassen of losse dozen) mag aan de zijkant helemaal niet uitsteken. Daarnaast mag de auto inclusief de lading nooit breder zijn dan 2,55 meter op verharde wegen en 2,20 op onverharde wegen.
Vraag
20: Wat is de toegestane maximum-snelheid in een erf?
Juiste antwoord: 15 kilometer per uur
Het correcte antwoord is 15 kilometer per uur. In een erf geldt volgens de Nederlandse verkeersregels een aparte, lagere maximumsnelheid: bestuurders mogen daar niet sneller rijden dan 15 km per uur. Het CBR test hier of je herkent dat een erf een bijzondere verkeersruimte is, met extra nadruk op rustig en voorzichtig rijden.
Waarom niet 20 km/u of 30 km/u? Omdat die snelheden hier simpelweg niet gelden. Een erf heeft een eigen regel, en die gaat vóór de meer algemene snelheidsregels voor andere wegen. Je hoeft dus niet te denken aan gewone snelheden binnen de bebouwde kom; bij een erf hoort specifiek 15 km/u.
Het principe daarachter is veiligheid. In een erf kunnen voetgangers en spelende kinderen direct in de verkeersruimte aanwezig zijn. Daarom moet je daar stapvoets-achtig en heel beheerst rijden, zodat je snel kunt reageren op onverwachte situaties.
Vraag
21: Wie moet jij voor laten gaan?
Juiste antwoord: de fiets; de vrachtauto; de voetganger
Bij kruispunten met een voetganger raden wij altijd aan: kijk eerst alleen naar de bestuurders en vergeet de voetganger heel even. Wie van de bestuurders mag in dit geval als eerste? De lesauto en de fietser hebben haaientanden en moeten daarom voorrang verlenen aan alle kruisende bestuurders, dus ook aan de vrachtauto. De vrachtauto gaat van de bestuurders dus als eerste.
Vervolgens kijken we naar de vrachtauto en de voetganger. De vrachtauto mag vóór de voetganger. Om dit snel in te zien, hebben we twee trucjes. Truc 1: zie je de zijkant van een voetganger, dan geef je 'gas bij'. Zie je de buik of rug, dan doe je 'gas terug'. De vrachtwagenchauffeur ziet de zijkant van de voetganger en mag dus doorrijden. Truc 2: de voetganger loopt voor de vrachtwagen van links naar rechts. Als de chauffeur deze beweging met zijn hoofd volgt, schudt hij 'nee'. Hij hoeft dus géén voorrang te verlenen. De vrachtauto gaat dus als allereerste.
Daarna blijven de lesauto, fietser en voetganger over. De lesauto en de fietser rijden op dezelfde weg en komen uit dezelfde richting. Hier geldt: 'korte bocht gaat voor lange bocht', dus de fietser gaat voor de lesauto. Tot slot de lesauto en de voetganger. Als de bestuurder van de lesauto de looprichting van de voetganger (van voor naar achteren) met zijn hoofd volgt, knikt hij 'ja'. Dus ja: hij moet voorrang verlenen aan de voetganger! (Of via de andere truc: je ziet de rug van de voetganger, dus 'gas terug').
De vraag is: aan wie moet de lesauto voorrang verlenen? Het antwoord is: aan de vrachtauto, de fietser én de voetganger. De exacte volgorde op dit kruispunt is dus: 1. Vrachtauto, 2. Voetganger, 3. Fietser, 4. Lesauto.
Vraag
22: Je wilt de bestelbus rechts inhalen. Mag dat?
Juiste antwoord: Nee
Het correcte antwoord is B) Nee. Volgens de Nederlandse verkeersregels geldt als hoofdregel dat inhalen links gebeurt. Een bestelbus is gewoon een bestuurder die je dus normaal gesproken niet rechts mag inhalen. In zo’n vraag test het CBR of je die basisregel herkent en niet te snel denkt: “er is ruimte rechts, dus het mag”.
Rechts inhalen mag alleen in een paar bijzondere situaties. Bijvoorbeeld als iemand links voorgesorteerd staat en duidelijk aangeeft linksaf te willen slaan, of vlak voor of op een rotonde, en ook bij fileverkeer mag rechts inhalen. Die uitzonderingen moeten wel echt uit de situatie blijken.
Vraag
23: Hoeveel meter vanaf een kruispunt mag je parkeren?
Juiste antwoord: Juiste waarde: 5 meter
Het correcte antwoord is minimaal 5 meter. Volgens de Nederlandse verkeersregels mag je niet parkeren bij een kruispunt op een afstand van minder dan vijf meter daarvan. Die afstand is er niet voor niets: als je te dicht op een kruispunt parkeert, belemmer je het zicht van andere weggebruikers en maak je het afslaan en oversteken onveiliger.
Dit is precies het soort regel waar het CBR op let: ken je niet alleen het getal, maar snap je ook waarom die regel bestaat? Een kruispunt is een plek waar verkeersstromen samenkomen, dus daar moet het overzicht goed blijven. Parkeren binnen die 5 meter mag daarom niet.
Vraag
24: Je wilt wegrijden. Moet je de voetganger die wil oversteken voor laten gaan?
Juiste antwoord: Ja
Het correcte antwoord is A) Ja. Je wilt hier wegrijden, en dat is volgens de Nederlandse verkeersregels een bijzondere manoeuvre. Bij een bijzondere manoeuvre moet je al het overige verkeer voor laten gaan. In deze situatie hoort die voetganger daarbij, zeker omdat zij duidelijk op het punt lijkt te staan om over te steken.
Dit is precies waar het CBR op let: niet alleen wie “normaal” voorrang heeft, maar ook of jij herkent dat wegrijden altijd extra verantwoordelijkheid geeft. De hoofdregel is hier dus niet een gewone voorrangssituatie op een kruispunt, maar het principe van de bijzondere manoeuvre. Volgens de wetgeving geldt: “Bestuurders die een bijzondere manoeuvre uitvoeren, zoals wegrijden, ... moeten het overige verkeer voor laten gaan.”
Lees daarom altijd goed de vraag.
Vraag
25: Wie mag eerst? (video vraag)
Juiste antwoord: de fiets
We zien een animatie van een kruispunt. Laten we eerst kijken naar de tram. De algemene regel is: een tram heeft voorrang, behalve bij haaientanden en zebrapaden. In dit geval heeft de tram haaientanden en moet deze dus voorrang verlenen aan alle kruisende bestuurders.
Ook de motorrijder heeft haaientanden en moet dus voorrang verlenen aan kruisende bestuurders. Het is nu de vraag wie als eerste mag: de lesauto of de fietser?
Kijk goed naar de lesauto: je ziet een knipperlicht naar links. De fietser en de lesauto rijden op dezelfde weg en komen uit dezelfde richting. Hier geldt dus de regel: 'rechtdoor op dezelfde weg gaat voor afslaand'. De fietser gaat rechtdoor en mag op dit kruispunt dus als eerste.
De juiste volgorde is daarom: 1. Fietser, 2. Lesauto, 3. Motorrijder, 4. Tram.